| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Jer 19:1 | worde een geschreeuw uit hun huizen gehoord, omdat gij plotseling een bende over hen brengt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, strikken gelegd voor mijn voeten.
| |
| | Jer 19:2 | Maar gij, Heer, kent al hun moordaanslagen tegen mij; bedek hun schuld niet, en wis hun zonde niet uit van voor uw aangezicht; zo zullen zij voor uw oog ten val gebracht zijn; houd afrekening met hen ten tijde uws toorns!
| |
| | Jer 19:3 | aldus: Hoort des Heeren woord, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt de Heer der heirscharen, Israels god: Zie, ik breng over deze plaats zulk een onheil dat elk die het hoort de oren zullen tuiten.
| |
| | Jer 19:4 | Omdat zij mij verlaten en deze plaats miskend en er voor andere goden gerookt hebben, die zij noch hun vaderen kenden; omdat Juda's koningen deze plaats hebben vervuld met het bloed van onschuldigen;
| |
| | Jer 19:5 | en omdat zij de hoogten van den Baal hebben gebouwd om hun kinderen te verbranden als brandoffers voor den Baal; hetgeen ik niet geboden of gezegd had, en wat in mijn hart niet was opgekomen.
| |
| | Jer 19:6 | Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat deze plaats niet meer zal heten Het tofeth en Het dal van den zoon Hinnoms, maar Het moorddal.
| |
| | Jer 19:7 | En ik zal te dezer plaatse Juda en Jeruzalem radeloos maken, hen door het zwaard doen vallen voor hun vijanden en door de hand van wie hun naar het leven staan, en hun lijken tot spijs geven aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte der aarde;
| |
| | Jer 19:8 | ik zal deze stad stellen tot een voorwerp van ontzetting en van gesis: alwie haar voorbijtrekt zal zich ontzetten en sissen over al haar wonden;
| |
| | Jer 19:9 | en ik zal hen het vlees hunner zonen en dochteren doen eten, en zij zullen elkanders vlees eten, in de benardheid en de benauwdheid waarin hun vijanden en wie hun naar het leven staan hen brengen.
| |
| | Jer 19:10 | Verbrijzel dan de kruik voor de ogen der mannen die met u gegaan zijn,
| |
| | Jer 19:11 | en zeg tot hen: Aldus zegt de Heer der heirscharen: Ik zal dit volk en deze stad zo verbrijzelen als men aardewerk verbrijzelt, dat niet meer heelgemaakt kan worden;
| |
| | Jer 19:12 | zo zal ik doen met deze plaats, zegt de Heer, en met haar bewoners, stellende deze stad als het tofeth.
| |
| | Jer 19:13 | En de huizen van Jeruzalem en de paleizen van Juda's koningen zullen worden als de plaats van het tofeth, wegens hun onreinheden in al de huizen op welker daken zij gerookt hebben voor het ganse heir des hemels, plengoffers stortend voor andere goden.
| |
| | Jer 19:14 | Toen Jeremia van het tofeth kwam, waarheen de Heer hem gezonden had om te profeteren, ging hij staan in het voorhof des tempels en zeide tot het ganse volk:
| |
| | Jer 19:15 | Zo zegt de Heer der heirscharen, Israels god: Zie ik breng over deze stad en haar gehuchten al het onheil, waarmee ik haar bedreigd heb; want zij zijn hardnekkig geweest door niet te luisteren naar mijn woorden.
| |