| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Jer 18:1 | en men zal komen uit de steden van Juda en de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit de Laagte, het Gebergte en het Zuiden, brengend brandoffer en slachtoffer, meeloffer en wierook, en lofoffer brengend in het huis des Heeren.
| |
| | Jer 18:2 | Maar indien gij niet naar mij luistert om den sabbatdag heilig te houden en niet met een vracht Jeruzalems poorten binnen te komen op den sabbatdag, zo zal ik een vuur ontsteken in haar poorten, dat Jeruzalems burchten verteren zal en niet zal worden uitgeblust.
| |
| | Jer 18:3 | Het woord dat van den Heer tot Jeremia kwam:
| |
| | Jer 18:4 | Maak u op en daal af naar het huis van den pottenbakker; daar zal ik u mijn woorden doen horen.
| |
| | Jer 18:5 | Zo daalde ik af naar het huis van den pottenbakker, die juist bezig was een stuk te vervaardigen op de dubbele schijf.
| |
| | Jer 18:6 | En mislukte het voorwerp dat hij met zijn handen vervaardigde, dan maakte hij er weer een ander voorwerp van, zoals het den pottenbakker goeddocht te maken.
| |
| | Jer 18:7 | Nu kwam het woord des Heeren tot mij:
| |
| | Jer 18:8 | Zou ik niet gelijk deze pottenbakker met u kunnen doen, huis Israel? spreekt de Heer; zie, als leem in de hand van den pottenbakker, zo zijt gij in de mijne, huis Israel.
| |
| | Jer 18:9 | Nu eens doe ik uitspraak over een volk of over een koninkrijk om het uit te roeien en omver te werpen en te verderven;
| |
| | Jer 18:10 | maar als dat volk, waarover ik deze uitspraak gedaan heb, zich van zijn boosheid bekeert, dan zie ik af van het onheil dat ik voornemens was geweest het aan te doen.
| |
| | Jer 18:11 | Dan weer doe ik uitspraak over een volk of koninkrijk om het op te bouwen en te planten;
| |
| | Jer 18:12 | maar als het doet wat kwaad is in mijn oog, door niet naar mij te luisteren, dan zie ik af van het goede waarmee ik gezegd had het te zullen begunstigen.
| |
| | Jer 18:13 | Nu dan, zeg toch tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de Heer: Ik ben bezig tegen u kwaad te brouwen en tegen u een plan te smeden; bekeert u toch van uw slechten weg, en zorgt dat uw handel en wandel goed is.
| |
| | Jer 18:14 | Maar zij zullen zeggen: Vergeefs! Want onze overleggingen zullen wij volgen, en ieder de verstoktheid van zijn boos hart uitvoeren.
| |
| | Jer 18:15 | Daarom zegt de Heer aldus: Doet vrij navraag onder de natien, wie ooit iets dergelijks heeft gehoord; iets zeer weerzinwekkends heeft Israels jonkvrouw bedreven.
| |
| | Jer 18:16 | Zal des Libanons sneeuw aflaten van de rots des velds, of zullen uit de zee de koude stromen verdwijnen?
| |
| | Jer 18:17 | Nochtans heeft mijn volk mij vergeten, rooken zij voor het ijle, en hebben de overoude gangen hen doen struikelen op hun wegen, hen bijpaden doende betreden, een ongebaanden weg
| |
| | Jer 18:18 | om hun land tot een voorwerp van ontzetting te maken en van altoosdurend gesis: alwie het voorbijtrekt zal zich ontzetten en het hoofd schudden.
| |
| | Jer 18:19 | Gelijk de oostenwind zal ik hen voor den vijand uit verstrooien; ik zal hen met den nek, en niet met het aangezicht, aanzien, ten dage huns ondergangs.
| |
| | Jer 18:20 | Toen zeiden zij: Komt, laten wij plannen smeden tegen Jeremia; want de wet zal niet teloorgaan bij den priester, noch de raad bij den wijze, noch het woord bij den profeet; komt, laten wij hem verslaan met de tong en in het geheel niet luisteren naar een zijner woorden!
| |
| | Jer 18:21 | Heer, luister naar mij en hoor wat mijn bestrijders zeggen!
| |
| | Jer 18:22 | Mag goed met kwaad vergolden worden, dat zij een kuil hebben gegraven voor mijn leven? Gedenk, hoe ik voor u stond, om een goed woord voor hen te doen, om uw verbolgenheid van hen te keren.
| |
| | Jer 18:23 | Daarom, geef hun kinderen aan den honger prijs, en lever hen over in de macht van het zwaard; mogen hun vrouwen kinderloos en weduwen worden, hun mannen bezwijken aan de pest, hun jongelingen sneuvelen door het zwaard in den krijg;
| |