| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Jer 15:1 | Is er onder de nietigheden der heidenen een die doet regenen? of kan de hemel een stortbui geven? Zijt gij het niet, Heer, onze God? opdat wij op u hopen; want gij hebt dat alles gemaakt.
| |
| | Jer 15:2 | Maar de Heer zeide tot mij: Al stonden Mozes en Samuel voor mij, ik zou hun niet terwille zijn. Zend dit volk weg uit mijn tegenwoordigheid, dat zij heengaan.
| |
| | Jer 15:3 | En wanneer zij tot u zeggen: Waarheen zullen wij gaan? zeg dan tot hen: Zo spreekt de Heer: Wie bestemd is ten dode ten dode, en wie ten zwaarde ten zwaarde, en wie ten hongersnood ten hongersnood, en wie ter ballingschap ter ballingschap.
| |
| | Jer 15:4 | En ik zal over hen aanstellen vier machten spreekt de Heer: het zwaard om te doden, de honden om weg te slepen, het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde om te verslinden en te verderven.
| |
| | Jer 15:5 | En ik zal hen stellen ten speelbal voor alle koninkrijken der aarde, ter oorzake van Juda's koning Manasse, den zoon van Hizkia, om alwat hij te Jeruzalem heeft gedaan.
| |
| | Jer 15:6 | Wie toch zal medelijden met u hebben, Jeruzalem? wie u deelneming betuigen? wie tot u inkeren om u naar uw welstand te vragen?
| |
| | Jer 15:7 | Gij hebt mij verzaakt, spreekt de Heer; teruggaan, dat deedt gij; dies heb ik mijn hand tegen u uitgestrekt en u verdorven--ik ben het moe, er weer van af te zien--
| |
| | Jer 15:8 | en heb u gewand met de wan in de poorten des lands; ik heb mijn volk van kinderen beroofd, tegrondegericht; --zij waren op hun schreden niet teruggekeerd--
| |
| | Jer 15:9 | hun weduwen zijn mij talrijker geworden dan het zand der zee; ik deed over de moeder der jongelingschap den verdelger komen op den vollen middag, deed plotseling op haar vallen beving en ijzing.
| |
| | Jer 15:10 | Zij die een zevental baarde is weggekwijnd, heeft den laatsten adem uitgeblazen; haar zon is ondergegaan, terwijl het nog overdag was; zij staat beschaamd en dodelijk verlegen. En hun overschot geef ik aan het zwaard prijs, voor hun vijanden uit, spreekt de Heer.
| |
| | Jer 15:11 | Wee mij, mijn moeder, dat gij mij hebt gebaard! een man met wien de ganse wereld twist en krakeelt; ik ben niemands schuldeiser en niemands schuldenaar; toch vervloeken mij allen.
| |
| | Jer 15:12 | --De Heer had gezegd: Voorzeker, ik laat u los; ik doe ten tijde van onheil en nood den vijand op u afkomen.
| |
| | Jer 15:13 | ga de stad uit naar het dal van den zoon Hinnoms, dat buiten de Schervenpoort ligt, en predik aldaar de woorden die ik tot u spreken zal,
| |
| | Jer 15:14 | Kan men ijzer breken, ijzer uit het noorden, of koper?
| |
| | Jer 15:15 | Uw vermogen en uw schatten zal ik ten buit stellen, zonder betaling, voor al uw zonden, in uw ganse gebied;
| |
| | Jer 15:16 | en ik zal u uw vijanden doen dienen in een land dat gij niet gekend hebt. Want een vuur is ontstoken in mijn toorn; tegen u blaakt het. --
| |
| | Jer 15:17 | Gij weet het, Heer! Gedenk mijner en zie naar mij om; geef mij wraak op mijn vervolgers; neem mij, door uw lankmoedigheid verleid, niet weg; denk aan den hoon dien ik om u verduur.
| |
| | Jer 15:18 | Trof ik woorden van u aan, ik verslond ze, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap des harten; want uw naam is over mij uitgeroepen, Heer, god der heirscharen.
| |
| | Jer 15:19 | Ik heb niet gezeten in een kring van lachers noch gedarteld; vanwege uw hand heb ik eenzaam gezeten; want gij hadt mij van grimmigheid vervuld.
| |
| | Jer 15:20 | Waarom is mijn pijn onverpoosd en mijn wond onheelbaar, een die niet genezen wil? Gij zijt voor mij als een opdrogende beek, als water dat niet blijft.
| |
| | Jer 15:21 | Daarom spreekt de Heer aldus: Indien gij wederkeert, zal ik u weer voor mij laten staan, en indien gij wat edel is zonder iets nietswaardigs te voorschijn brengt, zult gij als mijn mond zijn. Zij moeten tot u zich keren, niet gij moet u keren tot hen.
| |