| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Sgs 2:1 | Ik ben een bloem van Sjaron, een lelie der dalen.
| |
| | Sgs 2:2 | --Als een lelie tussen de doornen is mijn liefste onder de meisjes.
| |
| | Sgs 2:3 | --Als een appelboom onder de bomen des wouds is mijn beminde onder de jongelingen; verlangend zette ik mij neer in zijn schaduw, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte.
| |
| | Sgs 2:4 | Hij heeft mij het huis des wijns binnengeleid, zijn banier over mij was de liefde.
| |
| | Sgs 2:5 | Ondersteunt mij met vruchtenkoeken, verkwikt mij met appelen, want ik ben krank van liefde.
| |
| | Sgs 2:6 | Zijn linkerarm zij onder mijn hoofd, zijn rechter omvatte mij.
| |
| | Sgs 2:7 | Ik bezweer u dochters van Jeruzalem, bij de gazellen of bij de hinden des velds, niet te wekken, niet op te wekken de liefde, voordat het haar lust.
| |
| | Sgs 2:8 | Hoor, daar komt mijn beminde; hij springt over de bergen, hij huppelt over de heuvelen.
| |
| | Sgs 2:9 | Mijn beminde gelijkt een gazel, of het jong van een hert. Zie, daar staat hij achter onzen muur, hij blikt door het venster, hij straalt door de tralien.
| |
| | Sgs 2:10 | Mijn beminde heft aan en zegt tot mij: Sta op, mijn liefste, mijn schone kom mede,
| |
| | Sgs 2:11 | want de winter is voorbij, de regen heeft opgehouden, is verdwenen;
| |
| | Sgs 2:12 | de bloemen vertonen zich op den grond, de zangtijd is daar, des tortels gekir wordt in ons land gehoord;
| |
| | Sgs 2:13 | de vijg kleurt zijn jonge vruchten, de wijnstokken geuren in hun bloei. Sta op, mijn liefste, mijn schone, kom mede.
| |
| | Sgs 2:14 | Mijn duive in de rotsspleten, in de holen der klippen, laat mij uw gelaat zien, laat mij uw stem horen; want welluidend is uw stem en aanminnig uw gelaat.
| |
| | Sgs 2:15 | "Vangt ons de vossen, de vosjes, de vernielers der wijngaarden; en onze wijngaarden staan in bloei".
| |
| | Sgs 2:16 | Mijn beminde behoort mij, en ik behoor hem, hem die weidt onder de lelien.
| |
| | Sgs 2:17 | Straks, als de dag koel wordt en de schaduwen vlieden kom dan, doe als een gazel, mijn beminde, of het jong van een hert, op geurende bergen.
| |