| |
Hollands LEI |  | |
 |
| |
| | Psa 101:1 | Van David. Een psalm. Van vroomheid en recht wil ik zingen, met stem en snaren u, Heer, ter eer;
| |
| | Psa 101:2 | ik wil tonen te weten wat een onberispelijke wandel is-- wanneer komt gij tot mij? Onberispelijk van hart verkeer ik in mijn huis;
| |
| | Psa 101:3 | ik stel niet voor mijn ogen nietswaardige dingen; uitspattingen haat ik, ik ben er niet mede besmet;
| |
| | Psa 101:4 | een verkeerd hart blijft verre van mij, van kwaad wil ik niet weten;
| |
| | Psa 101:5 | wie heimelijk op zijn naaste veel te zeggen heeft, dien wil ik verdelgen; wie hoog van ogen is en opgeblazen van hart, dien kan ik niet uitstaan.
| |
| | Psa 101:6 | Mijn oog is op de getrouwen in het land, dat zij bij mij wonen; wie een onberispelijken wandel leidt, die mag mij dienen.
| |
| | Psa 101:7 | In mijn huis mag niet wonen wie omgaat met bedrog; wie leugen spreekt kan niet bestaan voor mijn ogen.
| |
| | Psa 101:8 | Elken morgen wil ik verdelgen alle bozen in het land om uit te roeien uit des Heeren stad alle euveldaders.
| |