All NT OTBook
Compare Texts
Esther 1 Job 19

Job 20:1-29

Job 21 Psalms 1

Hollands LEI

 
 
 
Job 20:1
 
Sofar van Naama antwoordde en zeide:  
 
Job 20:2
 
Juist daarom geven mij mijn overpeinzingen bescheid, en omdat het in mij stormt.  
 
Job 20:3
 
Ik hoor een tuchtrede vol smaad tegen mij maar een geest uit mijn inzicht antwoordt mij.  
 
Job 20:4
 
Weet gij dit uit den ouden tijd? van dat de mens op aarde geplaatst is?  
 
Job 20:5
 
Neen, want het juichen der bozen duurt kort, en de vreugde des goddelozen slechts een ogenblik.  
 
Job 20:6
 
Al verheft zich zijn grootheid hemelhoog, en raakt zijn hoofd aan de wolken,  
 
Job 20:7
 
als zijn eigen uitwerpselen, zo gaat hij voorgoed te gronde, die hem gezien hebben zeggen: Waar is hij?  
 
Job 20:8
 
als een droom vliegt hij weg, spoorloos, hij verdwijnt als een nachtgezicht.  
 
Job 20:9
 
Het oog dat hem bespeurde ziet hem niet meer, en zijn woonplaats aanschouwt hem niet weder.  
 
Job 20:10
 
Zijn zonen moeten de gunst van behoeftigen zoeken, en met eigen hand moet hij zijn vermogen weer weggeven.  
 
Job 20:11
 
Al zijn zijn beenderen vol jeugdige kracht, deze legt zich met hem op het stof.  
 
Job 20:12
 
Hoe zoet ook het boze in zijn mond is, hoe hij het ook verbergt onder zijn tong,  
 
Job 20:13
 
het spaart en niet wil laten varen, het tegen zijn gehemelte terughoudt,  
 
Job 20:14
 
toch wordt zijn spijs in zijn ingewanden iets anders, adderengal in zijn binnenste.  
 
Job 20:15
 
Hij zwolg schatten in en moet die weder uitspuwen, God drijft ze uit zijn buik;  
 
Job 20:16
 
adderengif moet hij inzuigen, een slangentong zal hem doden.  
 
Job 20:17
 
Hij mag zich niet verlustigen in beken, in vlietende stromen van honing en room;  
 
Job 20:18
 
het met moeite verworvene geeft hij terug, zonder het door te slikken, als goed voor ruiling bestemd, zonder er genot van te hebben.  
 
Job 20:19
 
Want behoeftigen sloeg hij neer en liet hij aan hun lot over, een huis roofde hij--maar hij bouwt het niet op;  
 
Job 20:20
 
want daar zijn begeerte nooit voldaan was, ontkomt hij niet met hetgeen hem lief is;  
 
Job 20:21
 
daar niets ontging aan zijn vraatzucht, heeft zijn geluk geen bestand.  
 
Job 20:22
 
In de volheid van zijn overvloed wordt het hem bang, het onheil treft hem met alle macht.  
 
Job 20:23
 
Opdat hij zijn buik er mee vulle, laat God op hem zijn blakenden toorn los en doet over hem smarten regenen.  
 
Job 20:24
 
Hij zal voor de ijzeren wapenrusting vluchten, de bronzen boog zal hem doorboren.  
 
Job 20:25
 
Hij trekt den pijl uit zijn rug, en de schicht gaat uit zijn gal; doodsschrik komt over hem.  
 
Job 20:26
 
Volslagen duisternis is bewaard voor hetgeen hij gespaard heeft, hemzelven verteert een vuur, dat niet aangeblazen is; kwalijk vergaat het den overgeblevene in zijn tent.  
 
Job 20:27
 
De hemelen openbaren zijn schuld, en de aarde staat tegen hem op.  
 
Job 20:28
 
Weggevoerd wordt de opbrengst van zijn huis, weggespoeld op den dag van Gods toorn.  
 
Job 20:29
 
Dit is des bozen lot van Gods wege, dit het hem van de godheid toegewezen deel.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Esther 1Job 193 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 Job 21Psalms 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards