All NT OTBook
Compare Texts
Ezra 1 Nehemiah 10

Nehemiah 11:1-36

Nehemiah 12 Esther 1

Hollands LEI

 
 
 
Neh 11:1
 
De oversten des volks woonden te Jeruzalem, en het overige volk wierp het lot om een tiende deel naar Jeruzalem, de heilige stad, te brengen; opdat het zich daar zou vestigen, terwijl de andere negen tienden in de steden zouden wonen.  
 
Neh 11:2
 
En het volk zegende alle mannen die zich vrijwillig in Jeruzalem vestigden.  
 
Neh 11:3
 
Dit zijn de hoofden van het landschap die te Jeruzalem en in de steden van Juda woonden. Zij woonden, elk op zijn erfdeel, in hun steden: Israel, de priesters, de Levieten, de geschonkenen en de zonen van Salomo's slaven.  
 
Neh 11:4
 
Te Jeruzalem woonden Judeers en Benjaminieten. Van de Judeers: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sjefatja, den zoon van Mahalaleel, van de zonen van Peres;  
 
Neh 11:5
 
en Maazeja, de zoon van Baruch, den zoon van Kolhoze, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van den Sjelaniet.  
 
Neh 11:6
 
De zonen van Peres die te Jeruzalem woonden waren in het geheel vierhonderd acht en zestig kloeke mannen.  
 
Neh 11:7
 
En dit zijn de Benjaminieten: Sallu, de zoon van Mesjullam, den zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van Maazeja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jezaja;  
 
Neh 11:8
 
en op hem volgend: Gabbai Sallai, negenhonderd acht en twintig;  
 
Neh 11:9
 
voorts Joel, de zoon van Zichri, de over hen gestelde beambte, en Juda, de zoon van Hassenua, plaatsvervangend hoofd der stad.  
 
Neh 11:10
 
Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin,  
 
Neh 11:11
 
Seraja, de zoon van Hilkia, den zoon van Mesjullam, den zoon van Sadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, den tempelvorst;  
 
Neh 11:12
 
met hun broeders, die den dienst voor den tempel waarnamen, achthonderd twee en twintig; voorts Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den zoon van Amsi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malkia,  
 
Neh 11:13
 
en zijn broeders, hoofden van familien, tweehonderd twee en veertig; voorts Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Ahzi, den zoon van Mesjillemoth, den zoon van Immer,  
 
Neh 11:14
 
en zijn broeders, krachtvolle mannen, honderd acht en twintig; en over hen was gesteld Zabdiel, de zoon van Haggedolim.  
 
Neh 11:15
 
En van de Levieten: Sjemaja, de zoon van Hassjub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasjabja, den zoon van Bunni.  
 
Neh 11:16
 
Sjabbethai en Jozabad van de hoofden der Levieten, waren gesteld over de uitwendige aangelegenheden des tempels.  
 
Neh 11:17
 
Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Azaf, was hoofd van het lofgezang, die het "Looft hem" bij het gebed aanhief, Bakbukja de tweede onder zijn broeders; voorts Abda, de zoon van Sjammua, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun.  
 
Neh 11:18
 
In het geheel was het aantal Levieten in de heilige stad tweehonderd vier en tachtig.  
 
Neh 11:19
 
En de portiers: Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden aan de poorten, honderd twee en zeventig.  
 
Neh 11:20
 
De overige Israelieten, priesters en Levieten woonden in alle steden van Juda, elk op zijn erfdeel.  
 
Neh 11:21
 
De geschonkenen woonden op den Ofel, en Siha en Gispa waren over hen gesteld.  
 
Neh 11:22
 
De opziener der Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasjabja, den zoon van Mattanja, den zoon van Micha, uit de zonen van Azaf, de zangers, voor den dienst in het huis Gods;  
 
Neh 11:23
 
want er was hun aangaande een bevel des konings en een verbintenis aangaande de zangers, wat hun dagtaak betreft.  
 
Neh 11:24
 
En Pethahja, de zoon van Mesjezabeel, uit de zonen van Juda's zoon Zerah, stond den koning ter zijde in alle aangelegenheden van het volk.  
 
Neh 11:25
 
En wat de vlekken op hun velden betreft, er woonden Judeers in Kirjath-arba en onderhoorigheden, in Dibon en onderhoorigheden, in Jekabseel en haar vlekken,  
 
Neh 11:26
 
in Jesjua, Molada, Beth-pelet,  
 
Neh 11:27
 
Hasar-sjual, Bersjeba en onderhoorigheden,  
 
Neh 11:28
 
Siklag, Mechona en onderhoorigheden,  
 
Neh 11:29
 
En-rimmon, Sorea en Jarmuth,  
 
Neh 11:30
 
Zanoah, Adullam en haar vlekken, Lachis en haar velden, Azeka en onderhoorigheden. Zo waren zij gelegerd van Bersjeba tot het dal van Hinnom.  
 
Neh 11:31
 
De Benjaminieten van Geba af, Michmas, Ajja, Bethel en onderhoorigheden,  
 
Neh 11:32
 
Anathoth, Nob, Ananja,  
 
Neh 11:33
 
Hasor, Rama, Gittaim,  
 
Neh 11:34
 
Hadid, Seboim, Neballat,  
 
Neh 11:35
 
Lod en Ono, het Handwerkersdal.  
 
Neh 11:36
 
En van de Levieten behoorden Judeesche afdelingen bij Benjamin.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Ezra 1Nehemiah 101 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 Nehemiah 12Esther 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards