 |
 |
|
|
|
 |
| |
| | Hollands LEI |  | |  | | | | | Ezr 10:1 | Terwijl nu Ezra bad en de schuldbekentenis aflegde, wenend en zich nederwerpend voor het godshuis, had een zeer grote menigte uit Jeruzalem mannen, vrouwen en kinderen, zich bij hem verzameld; want het volk was in een heftig geween uitgebarsten.
| | | | Ezr 10:2 | En Sjechanja, de zoon van Jehiel, uit de zonen van Elam, nam het woord en zeide tot Ezra: Wij hebben een vergrijp gepleegd tegen onzen god, door vreemde vrouwen, van de volkeren des lands, in huis te nemen. Toch is er te dezen hoop voor Israel.
| | | | Ezr 10:3 | Laat ons dan een verbond met onzen god sluiten, dat wij alle vrouwen en die uit haar geboren zijn zullen wegzenden, volgens den raad van mijn heer en van hen die ontsteld zijn door het gebod onzes gods; en naar de wet zal gehandeld worden.
| | | | Ezr 10:4 | Op! want de zaak rust op u, en wij zijn met u; wees sterk en handel.
| | | | Ezr 10:5 | Nu stond Ezra op en deed de priestervorsten, de Levieten en gans Israel zweren dat naar dit woord gehandeld zou worden, en zij legden den eed af.
| | | | Ezr 10:6 | Hierop verliet Ezra de plaats voor het godshuis ging naar de kamer van Johanan, den zoon van Eljasjib, en overnachtte aldaar, zonder brood te eten of water te drinken; want hij rouwde over het vergrijp der ballingen.
| | | | Ezr 10:7 | Nu deed men in Juda en Jeruzalem een oproeping uitgaan tot alle ballingen, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen;
| | | | Ezr 10:8 | wie niet binnen drie dagen kwam, al zijn have zou, volgens besluit der vorsten en oudsten, met den banvloek getroffen worden, en hij zelf zou van de gemeente der ballingen worden afgescheiden.
| | | | Ezr 10:9 | Dientengevolge verzamelden zich na drie dagen alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem; het was de negende maand, op den twintigsten dier maand; en al het volk zette zich op het plein van het godshuis, bevend vanwege de zaak zelf en vanwege de stortregens.
| | | | Ezr 10:10 | En Ezra, de priester, stond op en zeide tot hen: Gij hebt een vergrijp gepleegd en vreemde vrouwen in huis genomen, waardoor gij de schuld van Israel vermeerderd hebt.
| | | | Ezr 10:11 | Brengt dan hulde aan den Heer, den god uwer vaderen, en doet wat hem behaagt: zondert u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.
| | | | Ezr 10:12 | Hierop antwoordde de ganse gemeente en zeide met luider stem: Zo, naar uw woord, zijn wij verplicht te handelen.
| | | | Ezr 10:13 | Edoch, het volk is talrijk, en het is de regentijd, zodat het buiten niet is uit te houden; ook is het geen werk voor een of twee dagen, daar wij in deze zaak veel misdreven hebben.
| | | | Ezr 10:14 | Laten toch onze vorsten voor de ganse gemeente optreden, en dat alle bewoners onzer steden die vreemde vrouwen in huis genomen hebben, met de oudsten en rechters van elke stad, op bepaalde tijden hier komen; ten einde den gloeienden toorn onzes gods te dezer zake van ons af te wenden.
| | | | Ezr 10:15 | Slechts Jonathan, de zoon van Azael, en Jahzeja, de zoon van Tikwa, kwamen hiertegen in verzet, terwijl Mesjullam en de Leviet Sjabbethai hen ondersteunden.
| | | | Ezr 10:16 | En de ballingen deden alzo. Dienvolgens zonderde Ezra, de priester, enige mannen af, de familiehoofden naar hun familien, allen met name vermeld, en dezen hielden zitting op den eersten dag van de tiende maand om de zaak te onderzoeken,
| | | | Ezr 10:17 | en zij kwamen gereed met al de mannen die vreemde vrouwen in huis genomen hadden, den eersten dag van de eerste maand.
| | | | Ezr 10:18 | Onder de zonen der priesters bleken er te zijn die vreemde vrouwen in huis genomen hadden; van de zonen van Jezua, den zoon van Josadak, en zijn broeders: Maazeja, Eliezer, Jarib en Gedalja.
| | | | Ezr 10:19 | Zij verbonden zich met handslag hun vrouwen weg te zenden, en verplichtten zich tot het offer van een ram wegens hun schuld.
| | | | Ezr 10:20 | Van de zonen van Immer: Hanani en Zebadja;
| | | | Ezr 10:21 | van de zonen van Harim: Maazeja, Elia, Sjemaja, Jehiel en Uzzia;
| | | | Ezr 10:22 | van de zonen van Pashur: Eljoenai, Maazeja, Ismael, Nethaneel, Jozabad en Eleaza.
| | | | Ezr 10:23 | Onder de Levieten: Jozabad, Sjimei, Kelaja, dat is Kelita, Pethahja, Juda en Eliezer.
| | | | Ezr 10:24 | Onder de zangers: Eljasjib, en onder de portiers: Sjallum, Telem en Uri.
| | | | Ezr 10:25 | Onder Israel: van de zonen van Paros, Ramja, Izzia, Malkia, Mijjamin, Eleazar, Malkia en Benaja;
| | | | Ezr 10:26 | van die van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiel, Abdi, Jeremoth en Elia;
| | | | Ezr 10:27 | van die van Zattu: Eljoenai Eljasjib, Mattanja, Jeremoth, Zabad en Aziza;
| | | | Ezr 10:28 | van die van Bebai: Johanan, Hananja, Zabbai, Athlai;
| | | | Ezr 10:29 | van die van Bani: Mesjullam, Malluch, Adaja, Jasjub, Sjeal, Jeremoth;
| | | | Ezr 10:30 | van die van Pahat-Moab: Adna, Kelal, Benaja, Maazeja, Mattanja, Besaleel, Binnuj en Manasse;
| | | | Ezr 10:31 | van die van Harim: Eliezer, Issjia, Malkia, Sjemaja, Simeon,
| | | | Ezr 10:32 | Benjamin, Malluch, Sjemarja;
| | | | Ezr 10:33 | van die van Hasjum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Sjimei;
| | | | Ezr 10:34 | van die van Bani: Maadai, Amram en Uel,
| | | | Ezr 10:35 | Benaja, Bedeja, Keluhu,
| | | | Ezr 10:36 | Vanja, Meremoth, Eljasjib,
| | | | Ezr 10:37 | Mattanja, Mattenai en Jaazai,
| | | | Ezr 10:38 | Bani, Binnuj, Sjimei,
| | | | Ezr 10:39 | Sjelemja, Nathan, Adaja,
| | | | Ezr 10:40 | Machnadbai, Sjasjai, Sjarai,
| | | | Ezr 10:41 | Azareel, Sjelemja, Sjemarja,
| | | | Ezr 10:42 | Sjallum, Amarja, Jozef;
| | | | Ezr 10:43 | van die van Nebo: Jeiel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joel, Benaja.
| | | | Ezr 10:44 | Deze allen hadden vreemde vrouwen genomen en hadden kinderen bij haar.
| | |  |
|
|
|  |