All NT OTBook
Compare Texts
1 Chronicles 1 2 Chronicles 19

2 Chronicles 20:1-37

2 Chronicles 21 Ezra 1

Hollands LEI

 
 
 
2Ch 20:1
 
Enigen tijd later kwamen de Moabieten en de Ammonieten met een deel der Meunieten ten strijde tegen Josjafat.  
 
2Ch 20:2
 
Toen men aan Josjafat kwam berichten: Een grote menigte trekt van den overkant der zee, uit Edom, tegen u op en zij zijn reeds te Hasason-tamar--dat is Engedi--  
 
2Ch 20:3
 
werd hij bevreesd, besloot den Heer te raadplegen en riep voor gans Juda een vasten uit.  
 
2Ch 20:4
 
Nu verzamelde zich Juda om hulp te zoeken bij den Heer; ja uit alle steden van Juda kwamen zij om den Heer te zoeken.  
 
2Ch 20:5
 
En Josjafat ging in de vergadering van Juda en Jeruzalem staan, in het huis des Heeren, voor het nieuwe voorhof,  
 
2Ch 20:6
 
en zeide: Heer, god onzer vaderen, gij zijt immers god in den hemel, gij heerscher over alle koninkrijken der volken; in uw hand is sterkte en kracht, en niemand kan staande blijven nevens u.  
 
2Ch 20:7
 
Gij, onze god, hebt immers de bewoners van dit land voor uw volk Israel uit verdreven en het voor altijd aan het kroost van Abraham, uw vriend, geschonken;  
 
2Ch 20:8
 
en zij hebben zich daarin gevestigd en er u een heiligdom voor uw naam gebouwd, met de bedoeling:  
 
2Ch 20:9
 
wanneer onheil ons overkomt, zwaard, strafgericht, pest of hongersnood, dan zullen wij gaan staan voor dit huis en voor u; want uw naam is in dit huis; en zullen wij in onzen nood tot u roepen, opdat gij hoort en redt.  
 
2Ch 20:10
 
Daar komen nu de Ammonieten, de Moabieten en die van het gebergte Seir, in wier land gij Israel, toen het uit Egypteland trok, niet vergund hebt te komen--want zij zijn voor hen uit den weg gegaan en hebben hen niet verdelgd--  
 
2Ch 20:11
 
en zie, zij vergelden het ons door te komen om ons te verdrijven uit de bezitting die gij ons gegeven hebt.  
 
2Ch 20:12
 
Onze god, zult gij hen niet vonnissen? Want wij hebben geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons optrekt, en wij weten niet wat te doen; maar ons oog is op u.  
 
2Ch 20:13
 
En gans Juda stond voor het aangezicht des Heeren, zelfs hun kleine kinderen en vrouwen.  
 
2Ch 20:14
 
Toen kwam, in het midden der vergadering, de geest des Heeren op Jahaziel, den zoon van Zacharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jeiel, den zoon van Mattanja, den Leviet, uit de zonen van Azaf,  
 
2Ch 20:15
 
en hij zeide: Merkt allen op, Judeers, inwoners van Jeruzalem en koning Josjafat! Zo spreekt de Heer tot u: Vreest niets en wordt niet versaagd voor die grote menigte; want niet u gaat de krijg aan, maar Gode.  
 
2Ch 20:16
 
Daalt morgen tegen hen af. Zie, zij zullen den bergpas Hassis bestijgen, en gij zult hen aantreffen aan den rand van het dal voor de woestijn Jeruel.  
 
2Ch 20:17
 
Gij hebt daarbij niet te strijden; vat post, gaat staan en aanschouwt de redding die de Heer u zal aanbrengen. Juda en Jeruzalem, vreest niets en wordt niet versaagd; trekt morgen uit hun tegemoet; de Heer is met u.  
 
2Ch 20:18
 
Toen boog Josjafat zich, het aangezicht ter aarde, en vielen gans Juda en de inwoners van Jeruzalem voor den Heer neder, om den Heer te aanbidden.  
 
2Ch 20:19
 
En de Levieten, zowel Kehathieten als Korahieten, stonden op om met zeer luide stem den Heer, den god van Israel, te prijzen.  
 
2Ch 20:20
 
Toen zij den volgenden morgen zich opmaakten en uittrokken naar de woestijn van Tekoa, ging Josjafat, terwijl zij uittrokken, staan en zeide: Hoort naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem. Vertrouwt op den Heer, uw god, en gij zult het houden; vertrouwt op zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.  
 
2Ch 20:21
 
En na met het volk beraadslaagd te hebben, stelde hij mannen aan, die ter ere van den Heer zouden zingen en in heiligen feestdos, terwijl zij aan de spits der slagvaardigen uittrokken, hem zouden prijzen en zeggen: Looft den Heer; want zijn goedertierenheid is voor eeuwig.  
 
2Ch 20:22
 
En zodra zij aanvingen met juichen en prijzen, deed de Heer tegen de Ammonieten, de Moabieten en die van het gebergte Seir, die tegen Juda optrokken, belagers opstaan; zodat zij verslagen werden.  
 
2Ch 20:23
 
De Ammonieten en Moabieten gingen staan tegenover de bewoners van het gebergte Seir om hen uit te roeien en te verdelgen, en toen zij met de bewoners van Seir gereed waren, hielpen zij elkander in het verderf.  
 
2Ch 20:24
 
Toen nu Juda, aan den hogen rand der woestijn gekomen, zich naar de menigte toekeerde, zie, daar lagen zij dood op den grond; niemand was ontkomen.  
 
2Ch 20:25
 
Nu kwam Josjafat met zijn volk om den buit in te zamelen; zij vonden bij hen ontzaglijk veel: have, klederen en voorwerpen van waarde. Zij kregen zoveel dat zij het niet konden vervoeren; drie dagen waren zij bezig met het inzamelen van den buit; want die was groot.  
 
2Ch 20:26
 
Op den vierden dag werden zij vergaderd in de Lofvallei; daar toch hebben zij den Heer geloofd; daarom noemde men die plaats Lofvallei, en zij heet zo tot den huidigen dag.  
 
2Ch 20:27
 
Hierop namen alle mannen van Juda en Jeruzalem, Josjafat aan het hoofd, den terugtocht aan om naar Jeruzalem weer te keren met vreugdebetoon; want de Heer had hun vreugde verschaft over hun vijanden.  
 
2Ch 20:28
 
Met luiten, citers en trompetten trokken zij Jeruzalem binnen, naar het huis des Heeren.  
 
2Ch 20:29
 
En de schrik van God viel op alle koninkrijken der wereld, toen zij hoorden dat de Heer tegen Israels vijanden gestreden had.  
 
2Ch 20:30
 
Verder was Josjafats regering ongestoord; zijn god gaf hem rust rondom.  
 
2Ch 20:31
 
Josjafat werd koning over Juda; vijf en dertig jaar was hij oud toen hij koning werd, en vijf en twintig jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijn moeder heette Azuba, de dochter van Sjilhi.  
 
2Ch 20:32
 
Hij bewandelde den weg van zijn vader Aza: hij week er niet van af, doende wat recht was in het oog des Heeren.  
 
2Ch 20:33
 
Slechts werden de hoogten niet afgeschaft: nog richtte het volk zijn hart niet op den god zijner vaderen.  
 
2Ch 20:34
 
Het overige nu der geschiedenis van Josjafat, zowel der vroegere als der latere, is beschreven in de geschiedenis van Jehu, den zoon van Hanani, welke is opgenomen in het boek der koningen van Israel.  
 
2Ch 20:35
 
Hierna ging Josjafat, de koning van Juda, een bondgenootschap aan met Ahazja, den koning van Israel; deze handelde goddeloos.  
 
2Ch 20:36
 
Hij nam hem tot bondgenoot, om schepen te bouwen waarmede men naar Tarsjis zou varen. En zij bouwden schepen te Esjon-geber.  
 
2Ch 20:37
 
Maar Eliezer, de zoon van Dodia, uit Maresja, profeteerde tegen Josjafat: Daar gij een bondgenootschap met Ahazja hebt aangegaan, breekt de Heer uw maaksel stuk. En de schepen verongelukten, zodat zij niet naar Tarsjis konden varen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
1 Chronicles 12 Chronicles 192 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 2 Chronicles 21Ezra 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards