All NT OTBook
Compare Texts
2 Kings 1 1 Chronicles 22

1 Chronicles 23:1-32

1 Chronicles 24 2 Chronicles 1

Hollands LEI

 
 
 
1Ch 23:1
 
Toen nu David oud en zat van dagen was geworden, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israel.  
 
1Ch 23:2
 
Hij verzamelde al de vorsten van Israel, alsmede de priesters en de Levieten.  
 
1Ch 23:3
 
De Levieten van dertig jaar af en daarboven werden geteld; hun aantal, hoofd voor hoofd geteld, bedroeg acht en dertig duizend man.  
 
1Ch 23:4
 
Van dezen zullen vier en twintig duizend belast zijn met het werk in het huis des Heeren, zesduizend zullen ambtlieden en rechters,  
 
1Ch 23:5
 
vierduizend portiers zijn, en vierduizend zullen den Heer prijzen met de instrumenten die ik daartoe gemaakt heb.  
 
1Ch 23:6
 
En David deelde hen in afdelingen in naar de zonen van Levi, Gersjon, Kehath en Merari.  
 
1Ch 23:7
 
Van de Gersjonieten: Laedan en Sjimei.  
 
1Ch 23:8
 
De zonen van Laedan: Jehiel, het hoofd, Zetham en Joel, drie;  
 
1Ch 23:9
 
de zonen van Sjimei: Sjelomith, Haziel en Haran, drie; dit waren de familiehoofden van Laedan.  
 
1Ch 23:10
 
De zonen van Sjimei: Jahath, Ziza, Jeus en Beria; dit waren de zonen van Sjimei, vier.  
 
1Ch 23:11
 
Jahath was het hoofd, Ziza de tweede; Jeus nu en Beria hadden niet veel kinderen en stonden als een familie voor een deel van het werk.  
 
1Ch 23:12
 
De zonen van Kehath: Amram, Jishar, Hebron en Uzziel, vier.  
 
1Ch 23:13
 
De zonen van Amram: Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd om als hoogheilig gewijd te worden, hijzelf en zijn zonen, voor altijd, om offers voor den Heer te ontsteken, hem te dienen en met zijn naam te zegenen, voor altijd;  
 
1Ch 23:14
 
maar de zonen van Mozes, den man Gods, werden tot den stam der Levieten gerekend.  
 
1Ch 23:15
 
De zonen van Mozes: Gersjom en Eliezer.  
 
1Ch 23:16
 
De zonen van Gersjom: Sjebuel, het hoofd;  
 
1Ch 23:17
 
de zoon van Eliezer was: Rehabja, het hoofd; Eliezer had geen andere zonen, maar de zonen van Rehabja waren zeer talrijk.  
 
1Ch 23:18
 
De zonen van Jishar: Sjelomith, het hoofd.  
 
1Ch 23:19
 
De zonen van Hebron: Jeria, het hoofd, Amarja, de tweede, Jahaziel, de derde, Jekameam, de vierde.  
 
1Ch 23:20
 
De zonen van Uzziel: Gicha, het hoofd, en Issjia, de tweede.  
 
1Ch 23:21
 
De zonen van Merari: Mahli en Musji. De zonen van Mahli: Eleazar en Kis.  
 
1Ch 23:22
 
En Eleazar liet bij zijn dood geen zonen, alleen dochters na, en de zonen van Kis, haar broeders, huwden ze.  
 
1Ch 23:23
 
De zonen van Musji: Mahli, Eder en Jerimoth drie.  
 
1Ch 23:24
 
Dit waren de zonen van Levi naar hun familien, de familiehoofden naar hun gemonsterden, met name hoofd voor hoofd geteld, die het werk deden voor den dienst in des Heeren huis, van twintig jaar af en daarboven.  
 
1Ch 23:25
 
Want David zeide: De Heer, Israels god, heeft aan zijn volk rust verschaft en woont voor altijd te Jeruzalem;  
 
1Ch 23:26
 
dus hebben voortaan de Levieten den tabernakel en al de voorwerpen die voor den dienst daarin nodig zijn niet meer te dragen--  
 
1Ch 23:27
 
volgens de laatste schikkingen toch van David bestond het aantal Levieten uit die van twintig jaar en daarboven--  
 
1Ch 23:28
 
maar is hun plaats naast de zonen van Aaron voor den dienst in het huis des Heeren: zij zijn belast met het toezicht op de voorhoven, de vertrekken, de reiniging van alle heilige dingen en de dienstverrichting in het godshuis  
 
1Ch 23:29
 
en met de zorg voor het stapelbrood, de bloem voor het meeloffer, de ongezuurde vladen, het bakwerk in de pan, de mengsels en alle inhouds maten en lengtematen;  
 
1Ch 23:30
 
zij moeten elken morgen, en desgelijks des avonds, gereedstaan om het "Looft en prijst hem" aan te heffen ter ere van den Heer,  
 
1Ch 23:31
 
zorgen voor al wat behoort tot het brengen van brandoffers aan den Heer op de sabbatten, de nieuwemanen en de feesttijden, zovele naar het daaromtrent verordende geregeld voor den Heer gebracht moeten worden.  
 
1Ch 23:32
 
Zo hebben zij hun plichten ten aanzien van de tent der samenkomst, van het heiligdom en van de zonen van Aaron, hun broeders, voor den dienst van des Heeren huis, waar te nemen.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
2 Kings 11 Chronicles 221 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 1 Chronicles 242 Chronicles 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards