All NT OTBook
Compare Texts
1 Kings 1 2 Kings 18

2 Kings 19:1-37

2 Kings 20 1 Chronicles 1

Hollands LEI

 
 
 
2Ki 19:1
 
En koning Hizkia, dit horende, scheurde zijn klederen, sloeg een rouwgewaad om en trad het huis des Heeren binnen.  
 
2Ki 19:2
 
Toen zond hij den hofmaarschalk Eljakim, den schrijver Sjebna en de oudsten der priesters, in rouwgewaad, naar den profeet Jezaja, den zoon van Amos,  
 
2Ki 19:3
 
die tot hem zeiden: Zo zegt Hizkia: Dit is een dag van benauwdheid, van kastijding en van versmading; want kinderen zijn in de geboorte gekomen, maar er is geen kracht tot baren.  
 
2Ki 19:4
 
Wellicht zal de Heer, uw god, de woorden horen van den rabsjake, dien zijn heer, de koning van Assyrie, heeft gezonden om den levenden God te hoonen, en zal de Heer, uw god, hem kastijden voor de woorden die hij gehoord heeft. Zend dus een gebed op voor het nog aanwezig overschot.  
 
2Ki 19:5
 
Toen de dienaren van koning Hizkia bij Jezaja kwamen,  
 
2Ki 19:6
 
zeide Jezaja tot hen: Dit zult gij aan uw heer zeggen: Zo spreekt de Heer: Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaren van Assyrie's koning mij hebben beschimpt.  
 
2Ki 19:7
 
Zie, ik zal een geest in hem zenden, dat hij, op het horen van een tijding, naar zijn land wederkeert; alwaar ik hem door het zwaard zal vellen.  
 
2Ki 19:8
 
De rabsjake, terugkerende, vond den koning van Assyrie strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis was opgebroken.  
 
2Ki 19:9
 
En toen hij aangaande Tirhaka, den koning van Ethiopie, hoorde: Zie, hij is tegen u ten strijde getrokken--zond hij andermaal gezanten tot Hizkia, met den last:  
 
2Ki 19:10
 
Zo zult gij aan Hizkia, den koning van Juda, zeggen: Laat uw god u niet misleiden, op wien gij vertrouwt, alsof Jeruzalem niet in de hand van Assyrie's koning zou gegeven worden.  
 
2Ki 19:11
 
Zie, gij hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrie aan alle landen hebben gedaan, ze ten ondergang doemende; en gij zoudt gered worden?  
 
2Ki 19:12
 
Hebben de goden der natien die door mijn vaderen verdorven zijn ze gered? Gozan en Haran, Resef en de Edenieten in Tel-Assar?  
 
2Ki 19:13
 
Waar zijn de koningen van Hamath, van Arpad, en die van de stad Sefarwaim?  
 
2Ki 19:14
 
Nadat Hizkia den brief uit de hand der gezanten aangenomen en gelezen had, ging hij op naar den tempel, breidde den brief uit voor den Heer  
 
2Ki 19:15
 
en bad tot den Heer: Heer der heirscharen, god Israels, die op de cherubs troont! gij alleen zijt god over alle koninkrijken der aarde; gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.  
 
2Ki 19:16
 
Neig, Heer, uw oor en luister; open, Heer, uw ogen en zie; verneem al de woorden die Sanherib heeft gezonden om den levenden God te hoonen.  
 
2Ki 19:17
 
Ja waarlijk, Heer, de koningen van Assyrie hebben de natien en haar land verwoest  
 
2Ki 19:18
 
en haar goden in het vuur geworpen; want het waren geen goden, maar slechts werk van mensenhanden, hout en steen; dies hebben zij ze vernield.  
 
2Ki 19:19
 
Daarom, Heer, onze god red ons toch uit zijn hand; opdat alle koninkrijken der aarde weten dat gij, Heer, de enige God zijt.  
 
2Ki 19:20
 
Toen deed Jezaja, de zoon van Amos, Hizkia het volgende aanzeggen: Zo spreekt de Heer der heirscharen, Israels god: Wat gij tot mij gebeden hebt aangaande Sanherib, den koning van Assyrie, heb ik gehoord.  
 
2Ki 19:21
 
Dit is het woord dat de Heer tegen hem gesproken heeft: U veracht en bespot de jonkvrouw, de dochter Sions; u achterna schudt het hoofd Jeruzalems dochter.  
 
2Ki 19:22
 
Wien hebt gij gehoond, beschimpt? tegen wien de stem verheven? Uw trotsen blik hebt gij opgeslagen tot den Heilige Israels!  
 
2Ki 19:23
 
Door uw gezanten hebt gij den Heer gehoond. Gij zeidet: Met mijn tal van wagenen heb ik bestegen der bergen top, diep den Libanon in, om zijn statige ceders te vellen, de keur zijner cypressen, om door te dringen tot zijn hoogsten top, het woud zijner gaarde.  
 
2Ki 19:24
 
Ik heb gegraven en water van vreemden gedronken, en doe met mijn voetzolen al de stromen van Egypte opdrogen.  
 
2Ki 19:25
 
Hebt gij niet gehoord dat ik het van overlang gereedgemaakt, het van oude dagen her besloten heb? Nu heb ik het doen komen; opdat versterkte steden tot stapels puin zouden verwoest worden,  
 
2Ki 19:26
 
terwijl haar inwoners machteloos zijn, verschrikt en beschaamd staan, aan kruid op het veld gelijk, aan groene planten, aan het gras op dak en dreef.  
 
2Ki 19:27
 
Ik sla gade uw opstaan en uw neerzitten; uw uitgaan en uw ingaan ken ik, alsmede uw woeden tegen mij.  
 
2Ki 19:28
 
Omdat gij tegen mij woedt, en uw overmoed mij ter ore is gekomen, zal ik mijn haak in uw neus steken, mijn toom aan uw lippen leggen, en u terugvoeren langs den weg dien gij gekomen zijt.  
 
2Ki 19:29
 
En dit zal u het teken zijn: dit jaar zult gij eten wat vanzelf is opgeschoten, het tweede jaar wat dan nog opkomt; maar in het derde jaar zult gij zaaien en oogsten, wijngaarden planten en hun vruchten eten.  
 
2Ki 19:30
 
Dan zal opnieuw het ontkomene van het huis Juda, het overschot, wortels schieten naar beneden en vruchten dragen naar boven;  
 
2Ki 19:31
 
want van Jeruzalem zal een overschot uitgaan, en van den berg Sion wat ontkomen is. De naijver van den Heer der heirscharen zal dit doen.  
 
2Ki 19:32
 
Daarom, zo zegt de Heer van Assyrie's koning: Hij zal bij deze stad niet komen, er geen pijl afschieten, geen schild tegen haar opheffen, geen wal tegen haar opwerpen.  
 
2Ki 19:33
 
Langs den weg dien hij gekomen is zal hij wederkeren, maar in deze stad zal hij niet komen, spreekt de Heer.  
 
2Ki 19:34
 
Ik zal deze stad beschutten haar reddende, om mijnentwil, en ter wille van David, mijn knecht.  
 
2Ki 19:35
 
In denzelfden nacht nu ging de engel des Heeren uit en sloeg in het leger der Assyriers honderd vijf en tachtig duizend man. Toen zij den volgenden morgen zich opmaakten, zie, het waren allen ontzielde lijken!  
 
2Ki 19:36
 
Nu brak Sanherib, de koning van Assyrie, op, nam den terugtocht aan en bleef te Nineve.  
 
2Ki 19:37
 
Eens, toen hij zich nederwierp in den tempel van zijn god Nisroch, sloegen hem zijn zonen Adrammelech en Sareser met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en zijn zoon Ezarhaddon werd koning in zijn plaats.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
1 Kings 12 Kings 181 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 2 Kings 201 Chronicles 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards