All NT OTBook
Compare Texts
1 Samuel 1 2 Samuel 10

2 Samuel 11:1-27

2 Samuel 12 1 Kings 1

Hollands LEI

 
 
 
2Sa 11:1
 
Na verloop van een jaar, tegen den tijd dat de koningen plegen te velde te trekken, zond David Joab met zijn dienaren en gans Israel uit. Zij verwoestten het land der Ammonieten en sloegen het beleg om Rabba, terwijl David te Jeruzalem bleef.  
 
2Sa 11:2
 
Op zekeren avond, toen hij, van zijn rustbank opgestaan, op het dak van het paleis wandelde, zag hij van het dak een vrouw die zich baadde en zeer schoon was.  
 
2Sa 11:3
 
David deed naar die vrouw onderzoek, en toen men hem zeide: Wel, dat is Bathsjeba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, den Hittiet,  
 
2Sa 11:4
 
zond David boden om haar te halen, en hield, toen zij tot hem gekomen was, gemeenschap met haar; zij had zich juist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij in haar huis terug.  
 
2Sa 11:5
 
Maar de vrouw was zwanger geworden en liet aan David weten: Ik ben zwanger.  
 
2Sa 11:6
 
Hierop zond David aan Joab het bevel: Zend Uria, den Hittiet, i tot mij. Toen Joab Uria tot David gezonden had  
 
2Sa 11:7
 
en deze bij hem kwam vroeg David, of het met Joab, het volk en den krijg goed ging.  
 
2Sa 11:8
 
Daarna zeide David tot Uria: Ga naar uw huis en was uw voeten. En toen hij het paleis verliet, werd hem een gerecht van 's konings tafel nagebracht.  
 
2Sa 11:9
 
Maar Uria legde zich te slapen aan den ingang van het paleis bij al de dienaren van zijn heer en ging niet naar zijn huis.  
 
2Sa 11:10
 
Toen men aan David had medegedeeld: Uria is niet naar zijn huis gegaan--zeide David tot Uria: Gij komt immers van de reis; waarom zijt gij dan niet naar uw huis gegaan?  
 
2Sa 11:11
 
Uria antwoordde David: De ark en Israel en Juda houden zich op in tenten, en mijn heer Joab en mijns heren dienaren zijn op den naakten grond gelegerd; zou ik dan naar mijn huis gaan om te eten, te drinken en bij mijn vrouw te slapen? Zo waar als de Heer leeft en gij leeft, dat doe ik niet.  
 
2Sa 11:12
 
Hierop zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier; morgen zal ik u laten vertrekken. Zo bleef Uria nog dien dag te Jeruzalem.  
 
2Sa 11:13
 
Den volgenden dag nodigde David hem bij zich; hij at en dronk bij hem, en David maakte hem dronken; doch des avonds ging hij zich ter ruste leggen op zijn leger bij de dienaren zijns heren, naar zijn huis ging hij niet.  
 
2Sa 11:14
 
Den volgenden morgen schreef David een brief aan Joab en gaf dien aan Uria mede;  
 
2Sa 11:15
 
daarin schreef hij: Plaats Uria op het punt waar de strijd het hevigst is, en trek u van achter hem terug; opdat hij in den slag den dood vinde.  
 
2Sa 11:16
 
Dienovereenkomstig plaatste Joab, bij een verkenningstocht naar de zijde der stad, Uria tegenover het punt waar hij wist dat kloeke mannen stonden.  
 
2Sa 11:17
 
De burgers der stad deden een uitval en tastten Joab aan, enigen van het volk, van Davids dienaren, vielen, en ook Uria, de Hittiet, sneuvelde.  
 
2Sa 11:18
 
Joab zond toen een bode, om het beloop van den strijd aan David te melden,  
 
2Sa 11:19
 
en gelastte hem: Wanneer gij het beloop van den strijd aan den koning verhaald hebt,  
 
2Sa 11:20
 
en de koning gramstorig wordt,  
 
2Sa 11:21
 
(11-21b) dan moet gij zeggen: Ook uw dienaar Uria, de Hittiet, is gesneuveld.  
 
2Sa 11:22
 
De bode ging heen, kwam bij David en berichtte hem alwat Joab hem had opgedragen. (11-20b) Toen zeide David: Waarom zijt gij zo dicht bij de stad gekomen om te vechten? Gij moest toch weten? dat zij van den muur zouden schieten. (11-21a) Wie heeft Abimelech, den zoon van Jerubbaal verslagen 't Was immers een vrouw, die, te Tebes, van den muur een stuk van een molensteen op hem wierp, zodat hij stierf? Waarom zijt gij zo dicht bij den muur gekomen?  
 
2Sa 11:23
 
Hierop zeide de bode tot David: Met overmacht deden de burgers een uitval tegen ons in het veld; wij zetten hen na tot voor de poort,  
 
2Sa 11:24
 
toen schoten de schutters, van den muur, op uw dienaren en vonden omstreeks achttien man van 's konings dienaren den dood. Ook uw dienaar Uria, de Hittiet, is gesneuveld.  
 
2Sa 11:25
 
Toen zeide David tot den bode: Gij moet aan Joab zeggen: Trek u deze zaak niet aan; want het zwaard verteert nu dezen dan genen. Zet uw strijd tegen de stad met kracht door en werp haar onderstboven.  
 
2Sa 11:26
 
Toen Uria's vrouw hoorde dat haar man dood was, bedreef zij rouw over haar heer,  
 
2Sa 11:27
 
en als de rouwtijd voorbij was, liet David haar halen en in zijn huis opnemen; zij werd zijn vrouw en schonk hem een zoon. Maar wat David gedaan had was kwaad in het oog des Heeren.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
1 Samuel 12 Samuel 101 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 2 Samuel 121 Kings 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards