All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 48

Genesis 49:1-33

Genesis 50 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 49:1
 
Jakob ontbood zijn zonen en zeide: Verzamelt u; opdat ik u mededele wat u later zal overkomen.  
 
Gen 49:2
 
Komt samen en hoort, zonen van Jakob, luistert naar Israel, uw vader!  
 
Gen 49:3
 
Ruben, mijn eerstgeborene zijt gij, mijn macht en de eersteling mijner sterkte, uitstekend in hoogheid en uitstekend in kracht.  
 
Gen 49:4
 
Gij die als water opbruist, gij moogt den voorrang niet hebben. Want beklommen hebt gij het leger uws vaders; toen hebt gij mijn sponde ontwijd.  
 
Gen 49:5
 
Simeon en Levi zijn broeders, geweldswerktuigen hun zwaarden;  
 
Gen 49:6
 
in hun kring kome mijn ziel niet, in hun vergadering trede niet mijn gemoed; want in hun toorn hebben zij mannen gedood, in hun moedwil stieren verlamd.  
 
Gen 49:7
 
Vervloekt hun toorn, omdat die geweldig, hun verbolgenheid, dewijl zij hevig is! Ik wil hen verdelen in Jakob, hen verstrooien in Israel.  
 
Gen 49:8
 
Juda! u, ja u, loven uw broeders; uw hand is op den nek uwer vijanden; voor u werpen zich neder uws vaders zonen.  
 
Gen 49:9
 
Een leeuwenwelp is Juda, die de jongen der schapen verscheurt. Hij heeft zich nedergelegd, als een leeuw gekromd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?  
 
Gen 49:10
 
De schepter zal van Juda niet wijken, noch de heerschersstaf van tussen zijn voeten; totdat een komt wien stammen gehoorzamen.  
 
Gen 49:11
 
Hij bindt aan den wijnstok zijn lastdier, aan een keurigen wingerd zijn ezelsveulen; in wijn wast hij zijn kleed, in druivenbloed zijn gewaad;  
 
Gen 49:12
 
donkerrood van ogen is hij door wijn, en wit van tanden door melk.  
 
Gen 49:13
 
Zebulon woont aan het zeestrand, hijzelf aan het strand der schepen, en strekt zich tot Sidon uit.  
 
Gen 49:14
 
Issachar is een ezel van vreemden, nederliggende tussen de schuttingen;  
 
Gen 49:15
 
toen hij zag dat de rustplaats goed was, en het land liefelijk, boog hij zijn schoft om te dragen, en werd een cijnsplichtig dienstman.  
 
Gen 49:16
 
Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.  
 
Gen 49:17
 
Zij Dan een slang op den weg, een gehoornde adder op het pad, die het paard in de verzenen bijt, zodat zijn ruiter achteroverstort.  
 
Gen 49:18
 
Op uw verlossing hoop ik, o Heer!  
 
Gen 49:19
 
Gad, benden dringen op hem aan; maar hij dringt van achteren op hen aan.  
 
Gen 49:20
 
Azer, zijn brood is vet, en hij levert koninklijke lekkernijen.  
 
Gen 49:21
 
Naftali is een zich wijd uitstrekkende terebint, die een schone kruin naar boven heft.  
 
Gen 49:22
 
Een vruchtboom is Jozef, een vruchtboom aan een bron; zijn takken beklimmen den muur.  
 
Gen 49:23
 
Hem mishandelden en bestreden, hem benarden boogschutters;  
 
Gen 49:24
 
maar in ouden staat gebleven is zijn kracht en zijner handen spieren waren lenig, door de handen van Jakobs Sterke, door de armen van Israels Steen,  
 
Gen 49:25
 
den god uws vaders, die u geholpen, God den Machtige, die u gezegend heeft; met zegeningen des hemels daarboven, zegeningen des afgronds, die beneden ligt, zegeningen van borsten en moederschoot.  
 
Gen 49:26
 
De zegeningen die uw vader ontving stegen hoger dan de eeuwige bergen; de begeerlijke gaven der overoude heuvelen, zij zullen zijn op Jozefs hoofd, op den schedel van den vorst zijner broeders.  
 
Gen 49:27
 
Benjamin is een verscheurende wolf, die des morgens buit verslindt, des avonds roof verdeelt.  
 
Gen 49:28
 
Dit zijn al de stammen van Israel, twaalf in getal, en zo heeft hun vader tot hen gesproken en hen gezegend. Aan elk van hen gaf hij een afzonderlijken zegen.  
 
Gen 49:29
 
En Jakob gaf hun dezen last: Wanneer ik tot mijn volk verzameld zal zijn, begraaft mij dan bij mijn voorvaderen, in de spelonk op den akker van Efron den Hittiet;  
 
Gen 49:30
 
in de spelonk van Machpela, ten oosten van Mamre, in het land Kanaan, welken akker Abraham gekocht heeft van Efron, den Hittiet, tot een erfgraf.  
 
Gen 49:31
 
Daar hebben zij Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar hebben zij Izaak en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven;  
 
Gen 49:32
 
in den akker en de daarop liggende spelonk, die van de Hittieten gekocht zijn.  
 
Gen 49:33
 
Toen Jakob al zijn bevelen aan zijn zonen gegeven had, trok hij zijn voeten weder op het bed, gaf den geest en werd tot zijn stamgenoten verzameld.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 4816 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Genesis 50Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards