All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 46

Genesis 47:1-31

Genesis 48 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 47:1
 
Zo kwam Jozef tot Farao en deelde hem mede: Mijn vader en mijn broeders zijn, met hun kleinvee, hun runderen en alwat zij bezitten, uit het land Kanaan gekomen en bevinden zich in het land Goosjen.  
 
Gen 47:2
 
Ook nam hij een vijftal zijner broeders en stelde hen aan Farao voor.  
 
Gen 47:3
 
Toen nu Farao aan zijn broeders vroeg: Wat is uw bedrijf? zeiden zij tot Farao: Uw dienaren zijn hoeders van kleinvee, evenals onze voorvaderen.  
 
Gen 47:4
 
Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen om in het land te vertoeven; want uw dienaren hadden in het land Kanaan geen weide voor hun vee, omdat daar zware hongersnood heerst. Geef dan uw dienaren vergunning zich in het land Goosjen te vestigen.  
 
Gen 47:5
 
Toen zeide Farao tot Jozef: Zorg dat zij zich in Goosjen vestigen, en indien gij weet dat onder hen kloeke mannen zijn, stel hen dan aan tot verzorgers van mijn veestapel.  
 
Gen 47:6
 
Jakob en zijn zonen kwamen in Egypte tot Jozef, en Farao, de koning van Egypte, hoorde het. Toen sprak Farao tot Jozef: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen? Welnu, Egypteland ligt voor u open; laat uw vader en uw broeders zich in het beste deel des lands vestigen.  
 
Gen 47:7
 
En Jozef bracht zijn vader Jakob bij Farao en stelde hem aan Farao voor. En Jakob zegende Farao,  
 
Gen 47:8
 
en deze zeide tot hem: Hoe groot is het aantal uwer levensjaren?  
 
Gen 47:9
 
Jakob zeide tot Farao: Het aantal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd dertig. Luttel in aantal en rampspoedig zijn mijn levensjaren geweest, en zij hebben het cijfer der levensjaren van mijn voorvaderen, in den tijd hunner vreemdelingschap, niet bereikt.  
 
Gen 47:10
 
Nadat Jakob Farao gezegend had, verwijderde hij zich uit Farao's tegenwoordigheid.  
 
Gen 47:11
 
Jozef nu wees zijn vader en zijn broeders woonplaatsen aan; hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste deel van het land, in het land van Raamses, zoals Farao bevolen had.  
 
Gen 47:12
 
Jozef voorzag zijn vader, zijn broeders en het gehele huis zijns vaders van brood, naar het getal der kinderen.  
 
Gen 47:13
 
Inmiddels ontbrak het brood in het ganse land; want de hongersnood was zeer zwaar; zodat beide landen, Egypte en Kanaan, verkwijnden van honger.  
 
Gen 47:14
 
Jozef nu zamelde al het geld in dat zich in Egypte en Kanaan bevond, in ruil voor het koorn dat zij kochten, en Jozef bracht dat geld in het huis van Farao.  
 
Gen 47:15
 
Toen het geld in Egypte en Kanaan verbruikt was, kwamen alle Egyptenaren tot Jozef, zeggende: Geef ons brood! Waarom zouden wij voor uw ogen sterven? Want het geld is op.  
 
Gen 47:16
 
Jozef sprak: Geeft dan uw vee; daarvoor zal ik u brood leveren, indien het geld op is.  
 
Gen 47:17
 
Zij brachten daarop hun vee tot Jozef, die hun brood leverde in ruil voor de paarden, de kudden kleinvee en runderen en de ezels. Zo onderhield hij hen dat jaar met brood, in ruil voor al hun vee.  
 
Gen 47:18
 
Toen dat jaar ten einde was, kwamen zij, in het volgende, bij hem en zeiden tot hem: Wij kunnen het voor onzen heer niet loochenen, maar het geld en het vee is altemaal in handen van onzen heer gekomen. Niets is ter beschikking van onzen heer overgebleven dan ons lijf en onze grond.  
 
Gen 47:19
 
Waarom zouden wij voor uw ogen sterven en zou het land onbebouwd liggen? Koop ons en ons land voor brood; zodat wij met ons land dienstbaar aan Farao worden; en geef zaaikoorn, opdat wij in het leven blijven en niet sterven, en het land niet onbebouwd blijve.  
 
Gen 47:20
 
Zo kocht Jozef den gehelen grond van Egypteland voor Farao; want alle Egyptenaren verkochten hun akkers, omdat de honger hun te sterk was. Op die wijze werd het land eigendom van Farao.  
 
Gen 47:21
 
Ook bracht hij het volk van het ene einde van Egypte tot het andere, in slavernij.  
 
Gen 47:22
 
Slechts de akkers der priesters kocht hij niet; want de priesters hadden een vast inkomen van Farao en leefden van hetgeen deze hun gaf; daarom verkochten zij hun grond niet.  
 
Gen 47:23
 
En Jozef zeide tot het volk: Nu ik u en uw grond voor Farao gekocht heb, hebt gij hier zaaikoorn; bezaait daarmede uw akkers.  
 
Gen 47:24
 
Maar van de opbrengst moet gij een vijfde deel aan Farao afstaan, terwijl vier vijfden voor u zijn, tot zaaikoorn en tot levensonderhoud voor u en de leden van uw gezin.  
 
Gen 47:25
 
Zij zeiden: Gij hebt ons leven gered; mogen wij in het oog van onzen heer gunst vinden! Wij zullen Farao's slaven wezen.  
 
Gen 47:26
 
Zo maakte Jozef het dan tot een wet, die nog heden voor Egypteland geldt: aan Farao moet een vijfde opgebracht worden. Alleen de grond der priesters is bij uitzondering geen eigendom van Farao geworden.  
 
Gen 47:27
 
Zo vestigde zich Israel in Egypte, in het land Goosjen. Daar kregen zij vaste bezitting, waren zeer vruchtbaar en vermenigvuldigden zich.  
 
Gen 47:28
 
Jakob leefde in Egypteland zeventien jaren; zijn gehele levensduur was honderd zeven en veertig jaren.  
 
Gen 47:29
 
Toen nu voor Israel de stervensure naderde, ontbood hij zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik gunst in uw oog gevonden heb, leg dan uw hand onder mijn lenden, dat gij aan mij liefde en trouw zult bewijzen: begraaf mij toch niet in Egypte,  
 
Gen 47:30
 
maar laat mij ter ruste gaan bij mijn voorvaderen; vervoer mij uit Egypte en begraaf mij in hun grafstede. Toen hij hierop antwoordde: Ik zal naar uw woord handelen--  
 
Gen 47:31
 
zeide hij: Zweer het mij--waarop hij den eed aflegde; en Israel boog zich aan het hoofdeinde van het bed.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 4616 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Genesis 48Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards