All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 45

Genesis 46:1-34

Genesis 47 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 46:1
 
Israel brak met al de zijnen op en kwam te Bersjeba; waar hij offeranden bracht aan den god van zijn vader Izaak.  
 
Gen 46:2
 
En God zeide tot Israel in een nachtgezicht: Jakob, Jakob! Hij zeide: Hier ben ik.  
 
Gen 46:3
 
Toen zeide hij: Ik ben God, de god van uw vader. Vrees niet naar Egypte te gaan; want ik zal u aldaar tot een groot volk maken.  
 
Gen 46:4
 
Ikzelf zal met u naar Egypte afdalen, en u ook zeker weder van daar opvoeren, en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.  
 
Gen 46:5
 
Zo maakte Jakob zich op uit Bersjeba, en Israels zonen vervoerden hun vader Jakob, benevens hun kinderen en vrouwen, op de wagens die Farao om hem te vervoeren gezonden had.  
 
Gen 46:6
 
Ook namen zij hun vee mede en de have die zij in het land Kanaan verworven hadden. Zo kwam Jakob met al zijn kroost in Egypte.  
 
Gen 46:7
 
Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en al zijn kroost bracht hij mede in Egypte.  
 
Gen 46:8
 
Dit zijn de namen van Israels zonen, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. Jakobs eerstgeborene, Ruben,  
 
Gen 46:9
 
en Rubens zonen, Henoch, Pallu, Hesron en Karmi;  
 
Gen 46:10
 
Simeons zonen, Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sohar en Saul, de zoon der Kanaanietische;  
 
Gen 46:11
 
Levi's zonen, Gersjon, Kehath en Merari;  
 
Gen 46:12
 
Juda's zonen, Er, Onan, Sjela, Peres en Zerah--maar Er en Onan stierven in het land Kanaan, en de zonen van Peres waren Hesron en Hamul--  
 
Gen 46:13
 
Issachars zonen, Tola, Pua, Jasjub en Sjimron;  
 
Gen 46:14
 
Zebulons zonen, Sered, Elon en Jahleel.  
 
Gen 46:15
 
Dit zijn de zonen van Lea, die zij aan Jakob in Paddan-Aram gebaard heeft, benevens haar dochter Dina; al zijn zonen en dochters bij elkander drie en dertig.  
 
Gen 46:16
 
Voorts Gads zonen, Sifjon en de Haggiet, de Sjuniet en Esbon, de Eriet, de Arodiet en de Areeliet;  
 
Gen 46:17
 
Azers zonen, Jimna, Jiswa, de Jiswiet, Beria en hun zuster Serah, benevens Beria's zonen, Heber en Malkiel.  
 
Gen 46:18
 
Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; dezen heeft zij aan Jakob gebaard: zestien zielen.  
 
Gen 46:19
 
Voorts de zonen van Jakobs vrouw Rachel, Jozef en Benjamin;  
 
Gen 46:20
 
aan Jozef werden in Egypteland uit Azenath, de dochter van Potifera, den priester van On, Manasse en Efraim geboren  
 
Gen 46:21
 
Benjamins zonen, Bela; Becher, Asbel, Gera, Naaman, Ehi, Ros, de Muppieten, de Huppieten en Ard.  
 
Gen 46:22
 
Dit zijn de zonen van Rachel, die zij aan Jakob gebaard heeft: samen veertien zielen.  
 
Gen 46:23
 
Eindelijk de zonen van Dan, Husjam;  
 
Gen 46:24
 
en die van Naftali, Jahseel, Guni, Jeser en Sjillem.  
 
Gen 46:25
 
Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; dezen heeft zij aan Jakob gebaard: samen zeven zielen.  
 
Gen 46:26
 
Jakobs afstammelingen die met hem naar Egypte zijn gekomen, waren, behalve de vrouwen van Jakobs zonen, samen zes en zestig zielen.  
 
Gen 46:27
 
De zonen van Jozef, hem in Egypte geboren, waren twee in getal. Zo was het gehele huis van Jakob dat in Egypte gekomen is zeventig zielen sterk.  
 
Gen 46:28
 
Nadat hij Juda naar Jozef vooruitgezonden had, opdat deze in zijn tegenwoordigheid in Goosjen zou verschijnen, kwamen zij in het land Goosjen.  
 
Gen 46:29
 
En Jozef spande zijn wagen in en reisde zijn vader Israel naar Goosjen tegemoet. In zijn tegenwoordigheid verschenen, viel hij hem om den hals en weende lang, aan zijn hals hangende.  
 
Gen 46:30
 
Israel zeide tot Jozef: Nu mag ik sterven nadat ik uw gelaat heb gezien, daar gij nog leeft.  
 
Gen 46:31
 
Voorts zeide Jozef tot zijn broeders en het huis zijns vaders: Ik zal het aan Farao gaan mededelen en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan woonden, zijn tot mij gekomen.  
 
Gen 46:32
 
Die mannen zijn hoeders van kleinvee--want het zijn veebezitters--en zij hebben hun kleinvee en hun runderen met alwat zij bezitten medegebracht.  
 
Gen 46:33
 
Wanneer dan Farao u ontbiedt en vraagt wat uw bedrijf is,  
 
Gen 46:34
 
dan moet gij zeggen: Uw dienaren zijn veehoeders van onze jeugd af tot nu toe, evenals onze voorvaderen--opdat gij vergunning moogt krijgen u in het land Goosjen neder te zetten; want de Egyptenaren hebben een afschuw van alle hoeders van kleinvee.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 4516 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Genesis 47Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards