All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 44

Genesis 45:1-28

Genesis 46 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 45:1
 
Nu kon Jozef zich niet meer inhouden voor al de omstanders. Daarom riep hij: Laat iedereen heengaan! zodat niemand bij hem was toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte.  
 
Gen 45:2
 
In luid geween barstte hij uit, zodat de Egyptenaren en ook het huis van Farao het hoorden.  
 
Gen 45:3
 
En Jozef zeide tot zijn broeders: Ik ben Jozef! Leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij deinsden verschrikt van hem terug.  
 
Gen 45:4
 
Doch Jozef zeide tot zijn broeders: Nadert mij toch. En toen zij naderden, zeide hij: Ik ben uw broeder Jozef, dien gij naar Egypte verkocht hebt.  
 
Gen 45:5
 
Maar weest niet bedroefd en laat het niet pijnlijk voor u zijn dat gij mij hierheen hebt verkocht; want God heeft mij voor u uit gezonden als een levensredder.  
 
Gen 45:6
 
De hongersnood toch heerst nu twee jaren in het land, en nog vijf jaren lang zal er geploegd noch geoogst worden.  
 
Gen 45:7
 
Daarom heeft God mij voor u uit gezonden, om te zorgen dat van u iets overblijve op aarde en een groot aantal in het leven behouden worde.  
 
Gen 45:8
 
Dus hebt niet gij mij hierheen gezonden, maar God; en hij heeft mij tot een vader van Farao gemaakt, heer over zijn ganse huis en gebieder in geheel Egypteland.  
 
Gen 45:9
 
Reist met spoed naar mijn vader en zegt hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over geheel Egypte gemaakt; kom tot mij af, talm niet.  
 
Gen 45:10
 
Gij kunt in het land Goosjen wonen en zult dicht bij mij zijn, met uw kinderen en kindskinderen, uw kleinvee en runderen, en alwat gij bezit.  
 
Gen 45:11
 
Ik zal u daar onderhouden; want nog vijf jaren zal er hongersnood wezen; ik zal zorgen dat gij niet met uw gezin en alwat gij hebt verarmt.  
 
Gen 45:12
 
Gij en mijn broeder Benjamin ziet met eigen ogen dat ikzelf tot u spreek.  
 
Gen 45:13
 
Gij zult dan aan mijn vader verhalen van al de eer die mij in Egypte is te beurt gevallen, en van alwat gij gezien hebt; en gij zult met spoed mijn vader hierheen afbrengen.  
 
Gen 45:14
 
Toen viel hij zijn broeder Benjamin wenend om den hals, terwijl Benjamin, aan zijn hals hangende, weende.  
 
Gen 45:15
 
Ook kuste hij al zijn broeders en weende, hen omhelzende; daarna spraken zijn broeders met hem.  
 
Gen 45:16
 
Toen tot Farao's huis het gerucht doordrong: Jozefs broeders zijn gekomen--was dit Farao en zijn dienaren aangenaam.  
 
Gen 45:17
 
Daarom sprak Farao tot Jozef: Zeg aan uw broeders: Zo moet gij doen: belaadt uw dieren en reist naar het land Kanaan;  
 
Gen 45:18
 
neemt dan uw vader en uw gezinnen mede en komt tot mij. Dan zal ik u het goede van Egypteland geven, zodat gij er het vette des lands genieten kunt.  
 
Gen 45:19
 
En gij, gelast hun: Doet aldus: neemt uit Egypteland wagens mede voor uw kleine kinderen en vrouwen, en voert uw vader met u herwaarts.  
 
Gen 45:20
 
Ontziet uw huisraad niet; want het beste dat Egypteland oplevert zal voor u zijn.  
 
Gen 45:21
 
Israels zonen deden alzo, en Jozef gaf hun wagens, volgens het bevel van Farao, en teerkost voor de reis.  
 
Gen 45:22
 
Aan elk hunner schonk hij een stel klederen, maar aan Benjamin driehonderd zilverlingen en vijf stel klederen.  
 
Gen 45:23
 
En voor zijn vader zond hij insgelijks een geschenk: tien ezels die goede gaven van Egypte, tien ezelinnen die graan en brood droegen, en mondvoorraad voor zijn vader op reis.  
 
Gen 45:24
 
Zo liet Jozef zijn broeders gaan, en zij reisden af; hij zeide hun nog: Maakt u onderweg niet angstig.  
 
Gen 45:25
 
Zij togen dan uit Egypte en kwamen in het land Kanaan bij hun vader Jakob.  
 
Gen 45:26
 
Toen zij hem verhaalden: Jozef leeft nog, en dat hij heerscher over gans Egypteland was--verstijfde zijn hart; want hij geloofde hen niet.  
 
Gen 45:27
 
Maar toen zij hem al de woorden die Jozef tot hen gesproken had overbrachten, en hij de wagens zag die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob weder op.  
 
Gen 45:28
 
En Israel zeide: Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil hem gaan zien voordat ik sterf.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 4416 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Genesis 46Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards