All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 40

Genesis 41:1-57

Genesis 42 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 41:1
 
Twee jaren daarna droomde Farao dat hij aan den Nijl stond.  
 
Gen 41:2
 
En zie, uit den Nijl stegen zeven koeien op, schoon van uiterlijk en vet van vlees, die in het oevergras gingen weiden:  
 
Gen 41:3
 
Maar zie, zeven andere koeien stegen daarna uit den Nijl op, lelijk van uiterlijk en mager van vlees, en gingen naast de eerste aan den oever van den Nijl staan;  
 
Gen 41:4
 
en de lelijke, magere koeien aten de schone en vette op. Toen ontwaakte Farao.  
 
Gen 41:5
 
Wederom ingeslapen, droomde hij ten tweeden male, en wel, dat zeven koornaren uit een halm opschoten, vet en goed;  
 
Gen 41:6
 
maar zie, zeven spichtige en van den oostenwind verzengde aren sproten daarna uit;  
 
Gen 41:7
 
en de spichtige aren verslonden de zeven vette en volle. Toen ontwaakte Farao, en zie, het was een droom geweest.  
 
Gen 41:8
 
Den volgenden morgen was hij zeer ontroerd; hij ontbood al de geleerden en wijzen van Egypte en deelde hun zijn droom mede; maar niemand kon dien aan Farao uitleggen.  
 
Gen 41:9
 
Nu sprak de opperschenker tot Farao: Van mijn vergrijp moet ik thans gewag maken.  
 
Gen 41:10
 
Farao was eens zeer vergramd op zijn dienaren en had mij in verzekerde bewaring overgeleverd ten huize van den overste der lijfwacht, mij en den opperbakker.  
 
Gen 41:11
 
Daar hadden wij in een en denzelfden nacht een droom, ik en hij; elk had een droom van een bijzondere betekenis.  
 
Gen 41:12
 
Nu was daar bij ons een Hebreeuwsche jongeling, een slaaf van den overste der lijfwacht; hem vertelden wij onze dromen, en hij legde ze ons uit; van ieders droom gaf hij de uitlegging.  
 
Gen 41:13
 
En juist zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd: mij heeft Farao in mijn rang hersteld, hem opgehangen.  
 
Gen 41:14
 
Toen zond Farao om Jozef en ontbood hem; ijlings haalden zij hem uit den kerker, schoren hem en deden hem andere klederen aan. Zo kwam hij tot Farao.  
 
Gen 41:15
 
Deze zeide tot Jozef: Ik heb een droom gehad, dien niemand kan uitleggen, en ik heb omtrent u vernomen dat gij een droom slechts hebt te horen om hem uit te leggen.  
 
Gen 41:16
 
Jozef antwoordde: Verre van dien! God zal Farao's heil aankondigen.  
 
Gen 41:17
 
Farao sprak dan tot Jozef: In mijn droom stond ik aan den oever van den Nijl,  
 
Gen 41:18
 
en zie, uit de rivier stegen zeven koeien op, vet van vlees en schoon van gestalte, en gingen in het oevergras weiden.  
 
Gen 41:19
 
Maar zie, zeven andere koeien stegen daarna op, zeer schraal en lelijk van gestalte en mager van vlees. Haars gelijken in lelijkheid heb ik in gans Egypteland niet gezien.  
 
Gen 41:20
 
Die magere en lelijke koeien nu aten de eerste zeven, de vette, op,  
 
Gen 41:21
 
deze kwamen in haar lijf, maar het was niet te bemerken dat zij in haar lijf gekomen waren: haar uiterlijk was even lelijk als te voren. Hierop werd ik wakker.  
 
Gen 41:22
 
Toen ik mij weder nedergelegd had, zag ik in den droom zeven volle, mooie aren uit een halm opschieten;  
 
Gen 41:23
 
maar zie, zeven dorre, spichtige, van den oostenwind verzengde aren ontsproten daarna,  
 
Gen 41:24
 
en die spichtige aren verslonden de zeven goede. Ik heb ze daarop aan de geleerden medegedeeld, maar niemand geeft mij inlichting.  
 
Gen 41:25
 
Toen sprak Jozef tot Farao: De droom van Farao is een geheel. Wat God gaat doen heeft hij Farao medegedeeld.  
 
Gen 41:26
 
De zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en de zeven mooie koornaren zijn zeven jaren; het is enerlei droom.  
 
Gen 41:27
 
Ook de zeven magere en lelijke koeien, die daarna opstegen, zijn zeven jaren, en de ledige, van den oostenwind verzengde aren zijn zeven jaren; zeven jaren van hongersnood zullen het zijn.  
 
Gen 41:28
 
Dit is het wat ik Farao zeide: Wat God gaat doen heeft hij Farao getoond.  
 
Gen 41:29
 
Zie, zeven jaren komen, jaren van groten overvloed in gans Egypteland.  
 
Gen 41:30
 
Daarna zullen zeven jaren van hongersnood aanbreken, waarin al de overvloed die in Egypteland was vergeten zal worden en de hongersnood het land verteren zal.  
 
Gen 41:31
 
Ja, van den overvloed zal men in het land niets meer weten, vanwege den hongersnood die daarna zal heersen; want deze zal zeer zwaar wezen.  
 
Gen 41:32
 
Dat de droom twee keren aan Farao te beurt gevallen is, betekent dat de zaak door God vast besloten is en hij haar weldra zal tot stand brengen.  
 
Gen 41:33
 
Dat Farao dan omzie naar een schrander en kundig man, om hem over Egypteland aan te stellen.  
 
Gen 41:34
 
Farao doe zo en benoeme bestuurders over het land, om in de zeven jaren van overvloed het vijfde deel der opbrengst van Egypteland te heffen;  
 
Gen 41:35
 
zij zullen allerlei levensmiddelen van de eerstvolgende goede jaren opzamelen en, ter beschikking van Farao, koorn opslaan in de steden en het bewaren.  
 
Gen 41:36
 
Zo zal die mondvoorraad den lande opgespaard blijven voor de zeven jaren van hongersnood die in Egypteland zijn zullen; opdat het land niet door den hongersnood te gronde gericht worde.  
 
Gen 41:37
 
Deze voorslag was goed in het oog van Farao en van al zijn dienaren.  
 
Gen 41:38
 
En Farao zeide tot zijn dienaren: Zouden wij ergens kunnen vinden een man in wien in zulk een mate Gods geest is?  
 
Gen 41:39
 
Toen zeide Farao tot Jozef: Nademaal God u dit alles heeft medegedeeld, is niemand zo schrander en kundig als gij.  
 
Gen 41:40
 
Gij zult mijn hofhouding besturen, en geheel mijn volk zal naar uw bevel luisteren; slechts de hoogte van den troon zal ik boven u zijn.  
 
Gen 41:41
 
Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik stel u over geheel Egypteland aan.  
 
Gen 41:42
 
Toen trok Farao den ring van zijn eigen hand en stak dien aan Jozefs hand, bekleedde hem met fijne linnen klederen en deed een gouden keten om zijn hals.  
 
Gen 41:43
 
Hij deed hem rijden in op een na den besten wagen dien hij had, terwijl men voor hem uit riep: Knielt! Zo stelde hij hem over geheel Egypteland.  
 
Gen 41:44
 
Toen sprak Farao tot Jozef: Ik hen Farao; maar tegen uw wil zal niemand in geheel Egypteland hand of voet oplichten.  
 
Gen 41:45
 
Farao verleende Jozef den naam Safenath-Paneah en gaf hem Azenath, de dochter van Potifera, den priester van On, tot vrouw.  
 
Gen 41:46
 
Dertig jaar was Jozef oud toen hij voor Farao, den koning van Egypte, stond. Jozef dan ging van voor het aangezicht van Farao uit en trok geheel Egypte door.  
 
Gen 41:47
 
Toen nu het land in de zeven jaren van overvloed volop droeg,  
 
Gen 41:48
 
verzamelde hij allerlei levensmiddelen, gedurende de zeven jaren dat er overvloed in Egypteland was, en legde hij mondvoorraad op in de steden; in elke stad legde hij de opbrengst van het veld rondom haar.  
 
Gen 41:49
 
Zo verzamelde Jozef graan, als het zand der zee, in grote hoeveelheden, totdat men ophield het te meten: het was onberekenbaar.  
 
Gen 41:50
 
Voordat het jaar van hongersnood kwam werden aan Jozef twee zonen geboren, die Azenath, de dochter van Potifera, den priester van On, hem baarde.  
 
Gen 41:51
 
Den oudsten noemde Jozef Manasse; want--God heeft mij al mijn moeite en mijn gehele familie doen vergeten.  
 
Gen 41:52
 
Den tweeden noemde hij Efraim; want--God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land mijner ellende.  
 
Gen 41:53
 
Na afloop der zeven jaren van den overvloed die in Egypteland geweest was  
 
Gen 41:54
 
begonnen de zeven jaren van hongersnood aan te breken, zoals Jozef gezegd had; in alle landen ontstond hongersnood, maar in gans Egypteland was mondvoorraad.  
 
Gen 41:55
 
Toen geheel Egypteland gebrek kreeg en het volk tot Farao om brood riep, zeide Farao tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef en doet wat hij u zegt.  
 
Gen 41:56
 
Toen nu in het ganse land hongersnood heerste opende Jozef alle koornmagazijnen en verkocht koorn aan de Egyptenaren. Zwaar werd de hongersnood in Egypteland,  
 
Gen 41:57
 
en alle landen kwamen naar Egypte tot Jozef, om koorn te kopen; omdat de hongersnood in de gehele wereld zwaar was.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 4016 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 Genesis 42Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards