All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 30

Genesis 31:1-55

Genesis 32 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 31:1
 
Jakob nu hoorde Labans zonen zeggen: Jakob heeft zich van al de bezittingen van onzen vader meester gemaakt, en uit hetgeen onzen vader toebehoorde heeft hij al dien rijkdom verkregen.  
 
Gen 31:2
 
Ook zag Jakob dat Laban jegens hem niet was als gisteren en eergisteren.  
 
Gen 31:3
 
En de Heer zeide tot Jakob: Keer weder naar het land uwer vaderen en uw verwanten, en ik zal met u zijn.  
 
Gen 31:4
 
Toen ontbood Jakob Rachel en Lea naar het veld bij zijn vee,  
 
Gen 31:5
 
en zeide tot haar: Ik zie dat uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de god van mijn vader is met mij geweest.  
 
Gen 31:6
 
Gij weet zelf dat ik met alle macht uw vader gediend heb;  
 
Gen 31:7
 
doch uw vader heeft mij bedrogen: tien keren heeft hij mijn loon veranderd. Doch God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen.  
 
Gen 31:8
 
Wanneer hij zeide: de gespikkelde zullen uw loon zijn--dan wierpen alle geiten gespikkelde; en zeide hij: de gestreepte zullen uw loon zijn--dan wierpen alle gestreepte.  
 
Gen 31:9
 
Zo nam God het vee van uw vader weg en gaf het mij.  
 
Gen 31:10
 
Eens, in den bronsttijd der geiten, sloeg ik in den droom mijn ogen op en zag dat de bokken die de geiten besprongen alle gestreept, gespikkeld en bont waren;  
 
Gen 31:11
 
en de engel Gods zeide in den droom tot mij: Jakob! En ik zeide: Hier ben ik.  
 
Gen 31:12
 
Hij zeide: Sla uw ogen op en zie: alle bokken die de geiten bespringen zijn gestreept, gespikkeld en bont; want ik heb gezien alwat Laban u aandoet.  
 
Gen 31:13
 
Ik ben de god die u te Bethel verschenen is, waar gij een wij-steen gezalfd en mij een gelofte gedaan hebt. Maak u dus op, trek uit dit land en keer naar uw geboortegrond terug; en ik zal met u zijn.  
 
Gen 31:14
 
Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem: Hebben wij nog deel en bezitting in het huis van onzen vader?  
 
Gen 31:15
 
Zijn wij niet door hem als vreemden beschouwd? Hij heeft ons immers verkocht, en zelfs geleefd van wat wij opgebracht hebben?  
 
Gen 31:16
 
Al de rijkdom dien God onzen vader ontnomen heeft behoort ons en onzen zonen. Doe dus alwat God u gezegd heeft.  
 
Gen 31:17
 
Toen maakte Jakob zich reisvaardig, plaatste zijn zonen en vrouwen op de kamelen  
 
Gen 31:18
 
en voerde al het vee en al de have die hij verworven had, het vee dat hij bezat, dat hij in Paddan-Aram verworven had, mede, om zich te begeven naar zijn vader Izaak, in het land Kanaan.  
 
Gen 31:19
 
Eens dan, toen Laban van huis was om de schapen te scheren, stal Rachel de huisgoden van haar vader,  
 
Gen 31:20
 
en Jakob stal zich weg van Laban, den Arameer, door hem niet te kennen te geven dat hij de vlucht nam.  
 
Gen 31:21
 
Zo vlood hij met alwat hij bezat maakte zich op, trok de Rivier over en richtte zich naar het gebergte van Gilead.  
 
Gen 31:22
 
Toen op den derden dag aan Laban werd medegedeeld dat Jakob de vlucht had genomen,  
 
Gen 31:23
 
nam hij zijn broederen mede, vervolgde hem zeven dagen en was dicht achter hem op het gebergte van Gilead.  
 
Gen 31:24
 
Maar dien nacht kwam God in een droom tot Laban, den Arameer, en zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob goed of kwaad spreekt.  
 
Gen 31:25
 
Toen Laban Jakob ingehaald had--deze nu had zijn tent op het gebergte opgeslagen, en Laban de zijne op het gebergte van Gilead--  
 
Gen 31:26
 
zeide hij tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u weggestolen en mijn dochters als krijgsgevangenen ontvoerd hebt?  
 
Gen 31:27
 
Waarom zijt gij stil weggelopen, hebt gij u aan mij ontstolen en het mij niet gezegd? Anders zou ik u met vreugdebetoon en gezang, met tamboerijn en citer uitgeleide gedaan hebben.  
 
Gen 31:28
 
Nu hebt gij mij de gelegenheid onthouden mijn zonen en dochteren te kussen; gij hebt dwaas gehandeld.  
 
Gen 31:29
 
Het staat in mijn macht u kwaad te doen; doch de god van uw vader heeft mij gisteren gezegd: Wacht u, met Jakob goed of kwaad te spreken.  
 
Gen 31:30
 
Maar indien gij dan volstrekt wildet heengaan, omdat gij zo snakt naar uws vaders huis, waarom hebt gij mijn goden gestolen?  
 
Gen 31:31
 
Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Omdat ik bevreesd was en dacht: als gij mij uw dochters maar niet ontneemt!  
 
Gen 31:32
 
Voorts zeide Jakob: Hij bij wien gij uw goden vindt blijve niet in leven! Stel gij in tegenwoordigheid onzer broederen een onderzoek in, wat van het uwe in mijn bezit is, en neem dat mede. Want Jakob wist niet dat Rachel ze gestolen had.  
 
Gen 31:33
 
Zo ging Laban de tenten van Jakob, van Lea en der twee slavinnen binnen maar hij vond niets. Uit de tent van Lea trad hij in die van Rachel.  
 
Gen 31:34
 
Rachel nu had de huisgoden genomen en in haar kameelzetel gelegd, waarna zij er op was gaan zitten. Toen Laban alles in de tent betastte en niets vond,  
 
Gen 31:35
 
zeide zij tot haar vader: Mijn heer neme mij niet kwalijk dat ik niet voor u kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze der vrouwen. Hoe hij ook zocht, hij vond de huisgoden niet.  
 
Gen 31:36
 
Toen ontstak Jakob in toorn en voer tegen Laban uit; en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn misdrijf en mijn zonde dat gij mij zo heftig vervolgd hebt?  
 
Gen 31:37
 
Nu gij al mijn zaken betast hebt, leg nu alwat gij van uw huisraad gevonden hebt hier voor mijn en uw broeders, opdat zij vonnissen tussen ons beiden.  
 
Gen 31:38
 
Twintig jaar lang ben ik bij u geweest; uw ooien en geiten hebben niet misdragen; het vlees van de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten;  
 
Gen 31:39
 
wat door roofdieren verscheurd was heb ik niet bij u gebracht, maar zelf vergoed; wat des daags of des nachts gestolen was vorderdet gij van mij terug.  
 
Gen 31:40
 
Overdag sloopte mij de hitte, des nachts de koude, en de slaap ontvlood mijn ogen.  
 
Gen 31:41
 
Twintig jaar lang ben ik in uw huis geweest, en ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochters, zes jaren om uw vee; en gij hebt mijn loon tien keer veranderd.  
 
Gen 31:42
 
Indien mijns vaders god, de god van Abraham en de Gevreesde van Izaak, niet met mij geweest was, zoudt gij mij zonder iets hebben laten gaan; doch God heeft mijn verdrukking en mijn moeitevollen arbeid gezien en gisteren u bestraft.  
 
Gen 31:43
 
Laban antwoordde en zeide tot Jakob: De dochters zijn de mijne, de zonen de mijne, het vee is het mijne, al wat gij ziet is van mij. Maar hoe zal ik aan mijn dochters, of aan de kinderen die zij gebaard hebben, heden leed doen?  
 
Gen 31:44
 
Kom, laten wij, ik en gij, een verbond sluiten; geen mens is bij ons; zie, God is getuige tussen mij en u.  
 
Gen 31:45
 
Toen nam Jakob een steen en richtte dien ten wij-steen op.  
 
Gen 31:46
 
Jakob zeide tot zijn broeders: Verzamelt stenen. En zij verzamelden stenen, stapelden een hoop op en hielden daarbij een maaltijd.  
 
Gen 31:47
 
Laban noemde dien: Jegar-sahadutha, Jakob: Gal-ed.  
 
Gen 31:48
 
En Laban zeide: Deze steenhoop zij heden getuige tussen mij en u! Daarom heet de plaats: Gilead,  
 
Gen 31:49
 
en Mispa; omdat hij zeide: De Heer zij wachter tussen mij en u, wanneer wij niet meer bij elkander zijn,  
 
Gen 31:50
 
dat gij mijn dochters niet onderdrukken zult noch buiten haar andere vrouwen nemen.  
 
Gen 31:51
 
Voorts zeide Laban tot Jakob: Zie, deze steenhoop, en zie, de wij-steen, door mij opgeworpen tussen mij en u--  
 
Gen 31:52
 
getuige is deze steenhoop, getuige de wij-steen, dat ik nimmer met boze bedoelingen dezen steenhoop naar uw kant zal voorbijtrekken, en gij niet dezen steenhoop en dezen wij-steen naar mijn zijde.  
 
Gen 31:53
 
De god van Abraham en de god van Nahor mogen richten tussen ons! Toen zwoer Jakob bij den Gevreesde van zijn vader Izaak;  
 
Gen 31:54
 
hij bracht een offer op het gebergte, waarbij hij zijn broeders ter maaltijd nodigde; zo hielden zij maaltijd en overnachtten op het gebergte.  
 
Gen 31:55
 
Den volgenden morgen maakte Laban zich op, kuste zijn zonen en dochteren, zegende hen, ging op weg en keerde naar zijn woonplaats terug.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 3014 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 Genesis 32Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards