All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 26

Genesis 27:1-46

Genesis 28 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 27:1
 
Toen Izaak oud was geworden, werden zijn ogen verduisterd, zodat hij niet meer zien kon. Eens riep hij Ezau, zijn oudsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! Deze zeide tot hem: Hier ben ik.  
 
Gen 27:2
 
Hij zeide: Zie, ik ben oud geworden, en weet niet wanneer ik sterven zal.  
 
Gen 27:3
 
Nu dan, neem uw jachttuig, pijlkoker en boog, ga het veld in en schiet mij een stuk wild;  
 
Gen 27:4
 
bereid mij daarvan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij hier, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterf.  
 
Gen 27:5
 
En Rebekka hoorde Izaak dit tot zijn zoon Ezau zeggen. Toen dan Ezau het veld ingegaan was, om een stuk wild voor zijn vader te schieten,  
 
Gen 27:6
 
zeide Rebekka tot haar zoon Jakob: Ik heb daar uw vader tot uw broeder Ezau horen zeggen:  
 
Gen 27:7
 
Breng mij een stuk wild en bereid mij daarvan een smakelijk gerecht, opdat ik ete; dan zal ik u voor het aangezicht des Heeren mijn zegen geven, voordat ik sterf.  
 
Gen 27:8
 
Nu dan, mijn zoon, luister naar mij en doe wat ik u gelast.  
 
Gen 27:9
 
Ga naar de kudde en haal mij daaruit twee beste geitebokjes; dan zal ik daarvan een smakelijk gerecht voor uw vader bereiden, zoals hij het gaarne heeft;  
 
Gen 27:10
 
dit moet gij dan aan uw vader brengen, en hij zal eten; opdat hij u zijn zegen geve, voordat hij sterft.  
 
Gen 27:11
 
Maar Jakob zeide tot zijn moeder Rebekka: Zie, mijn broeder Ezau is een behaard, en ik ben een glad man.  
 
Gen 27:12
 
Wellicht betast mijn vader mij; dan ben ik in zijn oog een die den spot met hem drijft, en ik breng een vloek over mij, geen zegen.  
 
Gen 27:13
 
Doch zijn moeder zeide tot hem: Mij treffe die vloek, mijn zoon! Luister slechts naar mij en ga ze mij halen.  
 
Gen 27:14
 
Toen ging hij ze halen en bracht ze aan zijn moeder, die er een smakelijk gerecht van bereidde, zoals zijn vader het gaarne had.  
 
Gen 27:15
 
Voorts nam Rebekka de feestkleederen van Ezau, haar oudsten zoon, die zij bij zich in huis had, en trok die Jakob, haar jongsten zoon, aan;  
 
Gen 27:16
 
en met de geitenvellen bekleedde zij zijn handen en het gladde van zijn hals.  
 
Gen 27:17
 
Daarna stelde zij haar zoon Jakob het gerecht en het brood dat zij bereid had ter hand.  
 
Gen 27:18
 
Bij zijn vader gekomen, zeide hij: Mijn vader--en deze zeide: Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?  
 
Gen 27:19
 
En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan zoals gij mij gezegd hebt. Kom dan overeind, ga zitten en eet van mijn wildbraad; opdat gij mij moogt zegenen.  
 
Gen 27:20
 
Izaak zeide tot zijn zoon: Wat hebt gij spoedig iets gevangen, mijn zoon! Hij zeide: Dat komt, omdat de Heer, uw god, mij goed geluk gegeven heeft.  
 
Gen 27:21
 
Hierop zeide Izaak tot Jakob: Kom eens naderbij, dat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad mijn zoon Ezau zijt, of niet.  
 
Gen 27:22
 
Toen kwam Jakob dicht bij zijn vader Izaak, en deze betastte hem en zeide: De stem is die van Jakob, maar de handen zijn die van Ezau--  
 
Gen 27:23
 
en hij herkende hem niet, omdat zijn handen harig waren als die van zijn broeder Ezau, en hij zegende hem.  
 
Gen 27:24
 
Op de vraag: zijt gij mijn zoon Ezau zeide hij: Ja.  
 
Gen 27:25
 
Hij hernam: Zet het voor mij, dat ik ete van uw wildbraad, mijn zoon; opdat ik u zegene. En hij zette het hem voor, en hij at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk.  
 
Gen 27:26
 
Nu sprak zijn vader Izaak tot hem: Kom nader en kus mij, mijn zoon.  
 
Gen 27:27
 
Hij nu kwam nader en kuste hem, en Izaak rook den geur van zijn klederen en zegende hem aldus: Zie, de geur mijns zoons is als de geur van een veld vol kruiden, dat de Heer gezegend heeft.  
 
Gen 27:28
 
Geve God u van des hemels dauw, en van der aarde vetten grond, en overvloed van koorn en most!  
 
Gen 27:29
 
Mogen volkeren u dienen, en natien zich voor u nederwerpen; wees een vorst over uw broederen, dat voor u zich nederwerpen de zonen uwer moeder! Wie u vloekt zij vervloekt, wie u zegent gezegend!  
 
Gen 27:30
 
Nauwelijks had Izaak geeindigd Jacob te zegenen en was deze van zijn vader Izaak weggegaan, of daar kwam zijn broeder Ezau van de jacht.  
 
Gen 27:31
 
Ook hij bereidde een smakelijk gerecht, bracht het aan zijn vader en zeide tot hem: Mijn vader kome overeind en ete van het wildbraad zijns zoons; opdat gij mij moogt zegenen.  
 
Gen 27:32
 
Maar zijn vader Izaak zeide tot hem: Wie zijt gij? Hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.  
 
Gen 27:33
 
Toen schrikte Izaak geweldig en zeide: Wie was dat dan, die een stuk wild geschoten en het mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten voordat gij kwaamt, en hem rijk gezegend.  
 
Gen 27:34
 
Zodra Ezau de woorden van zijn vader vernam, barstte hij in een zeer luiden en bitteren kreet los en zeide tot zijn vader: Zegen ook mij, mijn vader!  
 
Gen 27:35
 
Maar deze zeide: Uw broeder is met list gekomen en heeft uw zegen weggenomen.  
 
Gen 27:36
 
Toen zeide hij: Daarom heet hij zeker Jakob, dat hij mij nu tweemaal bedrogen heeft: mijn eerstgeboorterecht heeft hij mij afhandig gemaakt, en nu ook mijn zegen. Voorts zeide hij: Hebt gij geen zegen voor mij overgehouden?  
 
Gen 27:37
 
Toen antwoordde Izaak en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot vorst over u gesteld en al zijn broeders tot zijn dienaren gemaakt, en met koorn en most heb ik hem begiftigd. Wat zal ik dan doen voor u, mijn zoon?  
 
Gen 27:38
 
Maar Ezau zeide tot zijn vader: Was dat uw enige zegen, mijn vader? Zegen ook mij, mijn vader! En Ezau brak in geween uit.  
 
Gen 27:39
 
Toen antwoordde zijn vader lzaak en sprak tot hem: Zie, van der aarde vetten grond zal uw woonplaats verwijderd zijn, en van des hemels dauw, die van boven komt.  
 
Gen 27:40
 
Op uw zwaard zult gij leven en uw broeder dienstbaar zijn; maar zodra gij machtig wordt, schudt gij zijn juk van uw hals.  
 
Gen 27:41
 
Ezau nu zon op kwaad tegen Jakob om den zegen dien zijn vader dezen gegeven had, en zeide bij zichzelven: De rouwtijd over mijn vader is nabij; dan zal ik mijn broeder Jakob doden.  
 
Gen 27:42
 
Maar toen aan Rebekka de woorden van Ezau, haar oudsten zoon, werden medegedeeld, liet zij Jakob, haar jongsten zoon, roepen en zeide tot hem: Uw broeder Ezau wil zich op u wreken door u te doden.  
 
Gen 27:43
 
Luister daarom naar mij, mijn zoon. Maak u op en vlucht naar mijn broeder Laban in Haran,  
 
Gen 27:44
 
en blijf enigen tijd bij hem, totdat de gramschap van uw broeder bedaard is.  
 
Gen 27:45
 
Wanneer de toorn van uw broeder tegen u bedaard is en hij vergeten zal zijn wat gij hem hebt gedaan, zal ik u van daar laten halen. Waarom zou ik van u beiden op denzelfden dag beroofd worden?  
 
Gen 27:46
 
En Rebekka zeide tot Izaak: Het leven walgt mij vanwege de Hittietische vrouwen. Als Jakob een vrouw uit de dochteren des lands neemt, wat heb ik dan aan mijn leven?  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 2610 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 Genesis 28Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards