All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 24

Genesis 25:1-34

Genesis 26 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 25:1
 
Abraham nam nogmaals een vrouw, Ketura genaamd.  
 
Gen 25:2
 
Zij baarde hem Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisbak en Sjuah.  
 
Gen 25:3
 
Joksjan verwekte Sjeba en Dedan; de zonen van Dedan waren Reuel, Nabdeel, de Assjurieten, de Letusieten en de Leummieten.  
 
Gen 25:4
 
Midians zonen waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaa. Deze allen zijn zonen van Ketura.  
 
Gen 25:5
 
Abraham nu gaf alwat hij bezat aan zijn zoon Izaak;  
 
Gen 25:6
 
aan de zonen zijner bijvrouwen gaf Abraham geschenken en verwijderde hen, nog bij zijn leven, uit de omgeving van zijn zoon Izaak, oostwaarts, naar het land van het Oosten.  
 
Gen 25:7
 
Het aantal van Abrahams levensjaren, die hij geleefd heeft, is honderd vijf en zeventig.  
 
Gen 25:8
 
Toen gaf Abraham den geest en stierf, op hogen leeftijd, oud en der dagen zat, en hij werd tot zijn stamgenoten verzameld.  
 
Gen 25:9
 
En zijn zonen Izaak en Ismael begroeven hem in de spelonk van Machpela, op den akker van Efron, den zoon van Sohar, den Hittiet, welke tegenover Mamre ligt,  
 
Gen 25:10
 
den akker dien Abratiam van de Hittieten gekocht had; daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven.  
 
Gen 25:11
 
Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Izaak. En Izaak woonde bij den put Lahai-roi.  
 
Gen 25:12
 
Dit zijn de afstammelingen van Ismael, Abrahams zoon, dien Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.  
 
Gen 25:13
 
Dit zijn de namen van Ismaels zonen, hun namen naar hun afstamming. Ismaels eerstgeborene was Nebajoth, dan Kedar Adbeel, Mibsam,  
 
Gen 25:14
 
Misma, Duma, Massa,  
 
Gen 25:15
 
Hadad, Tema, Itur, Nafis en Kedma.  
 
Gen 25:16
 
Dat zijn de zonen van Ismael, en dat hun namen in hun dorpen en kampen, twaalf vorsten hunner stammen.  
 
Gen 25:17
 
En de levensduur van Ismael was honderd zeven en dertig jaren; toen gaf hij den geest en stierf en hij werd tot zijn stamgenoten verzameld.  
 
Gen 25:18
 
Zij woonden van Hawila tot Sjur, dat voor Egypte ligt; tegenover al zijn broeders heeft hij zich nedergezet.  
 
Gen 25:19
 
Dit zijn de afstammelingen van Izaak, den zoon van Ahraham: Abraham heeft Izaak verwekt.  
 
Gen 25:20
 
Izaak was veertig jaar oud toen hij Rebekka, de dochter van Bethuel, den Arameer, uit Paddan-Aram. de zuster van Laban, den Arameer, tot vrouw nam.  
 
Gen 25:21
 
Izaak bad den Heer voor zijn vrouw, omdat zij onvruchtbaar bleef, en de Heer gaf aan zijn bede gehoor; zodat zijn vrouw Rebekka zwanger werd.  
 
Gen 25:22
 
Toen nu de kinderen in haar binnenste tegen elkander stieten, zeide zij: Indien het zo gaat, waarvan ben ik het teken? Daarom ging zij den Heer raadplegen.  
 
Gen 25:23
 
De Heer zeide tot haar: Twee natien zijn in uw schoot; twee volkeren zullen van uw lijf af uiteengaan; het ene volk zal sterker zijn dan het andere, de oudste zal den jongste dienstbaar zijn.  
 
Gen 25:24
 
Toen nu haar tijd daar was om te baren, zie, in haar schoot waren tweelingen.  
 
Gen 25:25
 
De eerste kwam te voorschijn, ros, van top tot teen een haren mantel; daarom noemde men hem Ezau.  
 
Gen 25:26
 
Vervolgens kwam zijn broeder, terwijl zijn hand den hiel van Ezau vasthield; daarom noemde men hem Jakob. En Izaak was zestig jaar oud toen Rebekka hen baarde.  
 
Gen 25:27
 
Toen de knapen opgroeiden, werd Ezau een man die verstand van jagen had, een man van het veld; terwijl Jakob een stemmig man werd, een tentbewoner.  
 
Gen 25:28
 
Izaak hield veel van Ezau, omdat hij gaarne wildbraad at; terwijl Rebekka veel van Jakob hield.  
 
Gen 25:29
 
Eens, terwijl Jakob moes kookte, kwam Ezau van het veld, zeer moede.  
 
Gen 25:30
 
En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch van dat rode, dat rode zwelgen; want ik ben moe! Daarom heet hij Edom.  
 
Gen 25:31
 
Maar Jakob zeide: Verkoop mij vooraf uw eerstgeboorterecht.  
 
Gen 25:32
 
Ezau zeide: Wel, ik ga toch sterven; wat baat mij een eerstgeboorterecht?  
 
Gen 25:33
 
Toen zeide Jakob: Zweer het mij vooraf. Nu verkocht hij bij eede aan Jakob zijn eerstgeboorterecht.  
 
Gen 25:34
 
Hierop gaf Jakob aan Ezau brood en linzenmoes, en deze at en dronk; stond op en ging zijns weegs. Zo minachtte Ezau het eerstgeboorterecht.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 248 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 Genesis 26Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards