All NT OTBook
Compare Texts
Genesis 15

Genesis 16:1-16

Genesis 17 Exodus 1

Hollands LEI

 
 
 
Gen 16:1
 
Sarai, Abrams vrouw, had hem geen kind geschonken. Maar zij had een Egyptische slavin, Hagar genaamd,  
 
Gen 16:2
 
en zeide tot Abram: Zie, de Heer heeft mij onvruchtbaar gemaakt; houd toch gemeenschap met mijn slavin; wellicht erlang ik kroost uit haar. Abram luisterde naar Sarai,  
 
Gen 16:3
 
en Sarai, Abrams vrouw, nam haar slavin Hagar, de Egyptische, toen Abram tien jaren in het land Kanaan had gewoond, en gaf haar aan Abram, haar man, tot vrouw;  
 
Gen 16:4
 
waarna hij tot Hagar kwam en zij zwanger werd. Toen zij nu bespeurde dat zij zwanger was, minachtte zij haar meesteres.  
 
Gen 16:5
 
En Sarai zeide tot Abram: Voor uw verantwoording is de mij aangedane smaad! Ikzelf heb u mijn slavin tot vrouw gegeven, en nu zij bespeurt dat zij zwanger is, minacht zij mij. De Heer zij rechter tussen mij en u!  
 
Gen 16:6
 
Abram antwoordde Sarai: Welnu, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat u goeddunkt. Hierop kwelde Sarai Hagar, en deze vluchtte van haar weg.  
 
Gen 16:7
 
Maar de engel des Heeren trof haar bij de waterbron in de woestijn, bij de bron op den weg naar Sjur,  
 
Gen 16:8
 
en vroeg: Hagar, slavin van Sarai, van waar komt gij en waar gaat gij heen? Zij zeide: Voor Sarai, mijn meesteres, ben ik op de vlucht.  
 
Gen 16:9
 
De engel des Heeren zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en laat u door haar kwellen.  
 
Gen 16:10
 
Verder zeide de engel des Heeren tot haar: Een zeer talrijk kroost zal ik u schenken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.  
 
Gen 16:11
 
Nog zeide de engel des Heeren tot haar: Zie, gij zijt zwanger; gij zult een zoon baren en hem Ismael heten; want de Heer heeft naar uw kwelling gehoord;  
 
Gen 16:12
 
uw zoon zal een mens als een woudezel zijn: zijn hand tegen allen en aller hand tegen hem, en tegenover al zijn broeders zal hij wonen.  
 
Gen 16:13
 
Toen noemde zij den Heer, die tot haar gesproken had: Gij zijt de god van mijn zien--want zij zeide: Heb ik een god gezien en ben ik na mijn zien toch nog in leven?  
 
Gen 16:14
 
Daarom heet die put: de put Lahai-ro; zie, hij is tussen Kades en Bered.  
 
Gen 16:15
 
Hagar nu baarde aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon dien Hagar hem had gebaard Ismael.  
 
Gen 16:16
 
Abram was zes en tachtig jaar oud toen Hagar hem Ismael baarde.  

Genesis | Exodus | Leviticus | Numbers | Deuteronomy | Joshua | Judges | Ruth | 1 Samuel | 2 Samuel | 1 Kings | 2 Kings | 1 Chronicles | 2 Chronicles | Ezra | Nehemiah | Esther | Job | Psalms | Proverbs | Ecclesiastes | Song of Solomon | Isaiah | Jeremiah | Lamentations | Ezekiel | Daniel | Hosea | Joel | Amos | Obadiah | Jonah | Micah | Nahum | Habakkuk | Zephaniah | Haggai | Zechariah | Malachi | Matthew | Mark | Luke | John | Acts | Romans | 1 Corinthians | 2 Corinthians | Galatians | Ephesians | Philippians | Colossians | 1 Thessalonians | 2 Thessalonians | 1 Timothy | 2 Timothy | Titus | Philemon | Hebrews | James | 1 Peter | 2 Peter | 1 John | 2 John | 3 John | Jude | Revelation
Genesis 151 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 Genesis 17Exodus 1
© 2005 redegg.org Home | Bible | About | Help | Site Map | Violin Flash Cards